Rb. Gelderland 22 oktober 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4534

De gemeente heeft door middel van een opslag op het ozb-tarief voor niet-woningen belasting geheven en als subsidie verstrekt aan het ondernemersfonds. De rechtbank overweegt dat de vaststelling van het ozb-tarief een zelfstandige bevoegdheid is van de gemeenteraad. De belastingrechter is in beginsel niet bevoegd om over de tarieven te oordelen, tenzij de tariefstelling of tariefstijging in strijd is met een hogere wettelijke regeling, leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, dan wel in strijd is met enig rechtsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelasting 2016 opgenomen ozb-tarieven voor niet-woningen niet strijdig met de (formeel) wettelijke bepalingen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de tariefstelling of tariefstijging van de ozb in dit geval leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de formele wetgever niet voor ogen kan hebben gehad, dan wel in strijd is met enig rechtsbeginsel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken