Rb. Gelderland 24 juli 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3349
Verstrekking A1-verklaringen aan Rijnvarende. Voor zover de eerste A1-verklaring ziet op de periode van 1 mei 2010 tot 1 april 2012 is deze door verweerder gebaseerd op het Verdrag betreffende sociale zekerheid van de Rijnvarenden (RVV), omdat eiser in deze periode (ook) op de binnenwateren van Zwitserland heeft gewerkt. Zoals door verweerder ter zitting is erkend, voorziet het RVV niet in de verstrekking van A1-verklaringen. Onder het RVV werd volstaan met het vaststellen van de van toepassing zijnde socialezekerheidswetgeving. Dit betekent dat verweerder ten onrechte is overgaan tot het verstrekken van een A1-verklaring over de periode van 1 mei 2010 tot 1 april 2012. Over de periode van 1 april 2012 tot en met 5 juni 2013 heeft de verweerder een A1-verklaring verstrekt op grond van de Rijnvarendenovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder ambtshalve bevoegd om een A1-verklaring over de toepasselijke Nederlandse wetgeving af te geven. Uit artikel 19, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) 987/2009 in samenhang bezien met de richtsnoeren uit de Praktische gids volgt dat indien de toepasselijke wetgeving is vastgesteld, het bevoegde orgaan gehouden is de betrokkene hierover te informeren en dat, dat ook kan met een A1-verklaring. Deze informatieverplichting en -bevoegdheid ontstaan niet pas eerst indien er een daartoe strekkend verzoek van een betrokkene voorligt. Ook uit artikel 5 van de Rijnvarendenovereenkomst volgt niet dat een A1-verklaring enkel op verzoek van werkgever of werknemer kan worden afgegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl