Rb. Gelderland 17 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:180
Wmo 2015. Verweerder heeft de ZZP-ophoging, bestemd voor het inkopen van huishoudelijke hulp, die de inwonende zoon van eiser ontvangt op grond van de Wlz terecht in mindering gebracht op het pgb dat eiser ontvangt voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015. In zijn uitspraken van 5 juni 2013 en 9 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2974 en ECLI:NL:CRVB:2015:1240) heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat van een betrokkene die een ophoging van het pgb-AWBZ heeft ontvangen voor hulp bij het huishouden, verlangd mag worden dat hij deze ophoging in het kader van de eigen verantwoordelijkheid aanwendt voor hulp bij het huishouden. Nu niet gebleken is dat de wetgever met de invoering van de Wlz van dit uitgangspunt heeft willen afwijken, behoudt deze jurisprudentie zijn betekenis onder de Wlz. Dat met de ophoging de huishoudelijke hulp dient te worden gefinancierd heeft naar het oordeel van de rechtbank evenzeer te gelden wanneer, zoals hier het geval is, niet de cliënt maar een persoon die tot de leefeenheid van de cliënt behoort, deze ophoging ontvangt. Dat betekent dat eiser van zijn zoon in redelijkheid kan verlangen dat hij de ophoging ook besteedt aan de kosten van hulp bij het huishouden in de woning van zijn ouders. Of de zoon de ophoging daadwerkelijk hieraan besteedt kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden worden gelaten nu dit in de risicosfeer van eiser ligt. Ter zitting is namens eiser erkend dat de omvang van de toegekende huishoudelijke hulp in aantal uren en verstrekt pgb thans toereikend is. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat hiermee is voorzien in de volledige behoefte van eiser aan hulp bij het huishouden en dat eiser derhalve voldoende is gecompenseerd in zijn zelfredzaamheid. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl