Rb. Gelderland 1 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5663
Samenvatting Buiten twijfel staat dat eiseres vóór 23 april 2014 de voorschriften 5.1.11 (last 1), 5.1.7 (last 2), 2.4.1 (last 4), 2.4.3 (last 5) 2.6.1 (last 6) en 8.1.2 (last 7) had overtreden, en dat die overtredingen konden en kunnen worden herhaald. Daarom was verweerder in zoverre bevoegd tot toepassing van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb toen het bestreden besluit werd genomen. Bij de beslissing over het in stand laten van een last die al enige tijd adequaat wordt nageleefd, gaat het niet alleen om de kans op herhaling van de geconstateerde overtreding, maar ook om de gevolgen die het wederom plegen van deze overtreding kan hebben. Het komt dus aan op de inschatting van het risico dat de herroeping van een last met zich brengt. Hierbij geldt dat een geringe kans op herhaling van een overtreding kan worden aangemerkt als een groot risico indien de gevolgen van deze overtreding ernstig zijn. Bij het bepalen van het risico in de zojuist bedoelde zin beschikt het bestuursorgaan over beoordelingsvrijheid, en de bestuursrechter mag het gebruik van deze vrijheid slechts terughoudend toetsen. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder diens beoordelingsvrijheid in dit concrete geval heeft overschreden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat slordig omgaan met de door het bedrijf verhandelde producten nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kan krijgen.
De uitspraak op rechtspraak.nl