Rb. Gelderland 27 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5587
Het rechtstreeks beroep dat de rechtbank hier dient te behandelen voldoet niet aan de eisen die art. 7:1a Awb stelt. Uit artikel 8:54a van de Awb en de parlementaire geschiedenis bij die bepaling volgt echter dat de wet voor terugwijzing van een beroep in een erg laat stadium van de procedure bij de bestuursrechter geen ruimte meer biedt. De rechtbank dient daarom, overeenkomstig de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ2283) en van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:302), in dit geval wel tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Daarmee ligt de vraag voor of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op de toegekende Wmo-voorzieningen krachtens de geldende regels de oplegging van een bijdrage in de kosten (waarvan op een later moment de hoogte door het CAK nog dient te worden bepaald) van toepassing is. Voor de beantwoording van deze vraag dient allereerst te worden vastgesteld of de mededeling dat de eigenbijdrageplicht van toepassing is al dan niet een als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat dit inderdaad het geval is. Daartoe verwijst zij naar de uitspraak van de CRvB van 7 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1321). Dat deze uitspraak is gedaan onder de vigeur van de Wmo (2007) maakt dit oordeel niet anders, aangezien de redactie van het huidige pgb-artikel in de Wmo 2015 niet wezenlijk afwijkt van die van de vergelijkbare bepaling in de Wmo (2007).
De uitspraak op rechtspraak.nl