Rb. Gelderland 24 januari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:379

Kwaliteitseisen kinderopvang. Aanwijzingsbesluit. Het procesbelang gaat niet verloren indien de belanghebbende onder druk van een belastend besluit toegeeft. Een andere opvatting zou te zeer afbreuk doen aan de effectiviteit van de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanwijzing een belastend besluit. De omstandigheid dat de aanwijzing het beoogde effect heeft gehad, tast het belang van eiseres bij een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit allerminst aan. Dwangsombesluit en invorderingsbesluit. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb had het bezwaar van eiseres tegen het dwangsombesluit echter mede betrekking op het bezwaar tegen het invorderingsbesluit, nu eiseres dit invorderingsbesluit betwist. Het stond verweerder daarom niet vrij separaat te beslissen op het bezwaar tegen het invorderingsbesluit. Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb had verweerder de bezwaren van eiseres tegen de last onder dwangsom en tegen het invorderingsbesluit gelijktijdig moeten behandelen in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen het dwangsombesluit van 11 april 2013. De rechtbank leidt uit de bewoordingen van artikel 2, eerste lid, van het Besluit af dat het gaat om één inventarisatie van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s met in ieder geval één plan van aanpak. Er kan daarom slechts sprake zijn van één overtreding indien op onderdelen niet wordt voldaan aan de voorwaarde, waardoor verweerder had moeten volstaan met het geven van één last onder dwangsom. Boetebesluit. Nu het inspectierapport de vereiste gegevens van artikel 5:48, tweede lid, van de Awb, bevat heeft verweerder het inspectierapport terecht kunnen aanmerken als boeterapport. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsregel die zich hiertegen verzet. Het onderzoek verkeerde derhalve op het moment van de inspecties in de toezichtsfase en van een (concreet) voornemen om een bestraffende sanctie op te leggen, ofwel een ‘criminal charge’, was geen sprake. In deze fase was artikel 5:10 van de Awb derhalve nog niet van toepassing. Van onrechtmatig verkregen bewijs is derhalve geen sprake. In artikel 1.61, eerste lid, van de Wko is de GGD aangewezen als toezichthouder op de naleving van de kwaliteitseisen. Artikel 2.21, eerste lid, bepaalt dat de toezichthouder zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vastlegt in een inspectierapport. De GGD wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. In de Wko is verder bepaald dat verweerder ingrijpt als de GGD tekortkomingen constateert. Hieruit volgt dat aan de bevindingen van een medewerker van de GGD als toezichthouder een ander gewicht toekomt dan aan een losse getuigenis en dat verweerder zich op het inspectierapport heeft mogen baseren. Nu eiseres houder is van het kindercentrum is eiseres reeds hierom overtreder. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Slavenburg-criteria niet op onderhavige zaak van toepassing zijn. De rechtbank is van oordeel dat het Handhavingsbeleid als zodanig niet onredelijk of disproportioneel zijn. Nu eiseres geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan er zou moeten worden afgeweken van het Handhavingsbeleid, heeft verweerder in het bestreden besluit kunnen volstaan met een verwijzing naar het Handhavingsbeleid, zijnde beleidsregels als bedoeld in artikel 4:82 van de Awb. Verweerder heeft ten onrechte een boete voor zowel voorwaarde 3.1.1.2 en 3.2.1.2 heeft opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken