Rb. Gelderland 21 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1493
Navorderingsaanslag successierecht. Eiseres wordt in 2013 bekend met het bestaan van haar halfzus en de zoon van haar halfzus (de neef van eiseres). Deze zijn achtereenvolgens in 1992 en 1995 overleden. Ten tijde van het overlijden van de neef waren er geen bekende erfgenamen en was niet bekend dat hij aanspraak kon maken op vermogen van zijn moeder in Zwitserland. Hierover is tussen de notaris en de Belastingdienst gecorrespondeerd. In 2013 is eiseres in beeld gekomen als erfgenaam. De inspecteur vordert successierecht na. De rechtbank is van oordeel dat in 1995 geen rechtsgeldige aangifte successierecht is gedaan ter zake van de nalatenschap van de neef en dat sprake is geweest van een onbeheerde nalatenschap. Dit zou meebrengen dat de aangiftetermijn niet is doorgelopen en de navorderingstermijn is verlengd. In de omstandigheden van het geval acht de rechtbank navordering echter in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De inspecteur heeft ingestemd met het achterwege laten van de formele procedure tot benoeming van een curator. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij daarmee heeft beoogd een andere rechtstoestand te doen ontstaan dan met het uitvoeren van de wettelijke formaliteiten zou hebben bestaan, of dat hij heeft beoogd andere rechtsgevolgen te doen intreden, zoals een langere navorderingstermijn. In elk geval behoefde eiseres (of een andere erfgenaam) daarmee geen rekening te houden. De mededeling van de inspecteur moet worden beschouwd als de formalisering van de beëindiging van de aangiftefase. Dit brengt mee dat de bevoegdheid tot navorderen vóór 1 januari 2012 is vervallen. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017 concludeert de rechtbank dat deze bevoegdheid niet is herleefd.
De uitspraak op rechtspraak.nl