Rb. Gelderland 8 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1079
UWV geeft geen toestemming voor opzegging arbeidsovereenkomst (art. 7:669 lid 3 onder b BW) omdat wn destijds werkzaamheden verrichtte die volgens UWV loonwaarde vertegenwoordigen en wg die werkzaamheden duurzaam kan aanbieden. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst omdat genoemde ontslaggrond voldoende aannemelijk is geworden. Er is sprake van langdurige arbeidsongeschiktheid. Wn is niet in staat (geschikt) om de bedongen arbeid – van medewerker services c voor 36 uur per week – te verrichten. Wn voert ook niet (ten verwere) aan dat aannemelijk is dat hij binnen een periode van 26 weken zal herstellen of dat hij binnen die termijn de bedongen arbeid in aangepaste vorm kan verrichten. Dat hij er belang bij heeft, zoals hij stelt, om zijn re-integratie voort te zetten bij wg teneinde op termijn (mogelijk) verder te herstellen of zijn restverdiencapaciteit te benutten en (mogelijk) te vergroten doet hier niet aan af. Heeft werknemer recht op een transitievergoeding? In de bedrijfscao is de premievrije opbouw van het pensioen als gelijkwaardige voorziening ex art. 7:673b BW aangemerkt. De kantonrechter oordeelt dat wg desondanks gehouden is een transitievergoeding te voldoen. Uit de wetsgeschiedenis en latere uitlating van de minister blijkt dat een gelijkwaardige voorziening in voornoemde zin moet inhouden dat iedere individuele werknemer ten minste aanspraak heeft op een voorziening die een waarde heeft die gelijk is aan de hem of haar verschuldigde transitievergoeding. Daarvan is i.c. geen sprake.
De uitspraak op rechtspraak.nl