Rb. Gelderland 8 september 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4852

Omgevingsvergunning geweigerd op grond van Bibob-advies De rechtbank stelt vast dat eiser, hoewel kennelijk mede-eigenaar van de grond, niet mede aanvrager is van de omgevingsvergunning. Daarom is eiser niet aan te merken als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het primaire besluit. Verweerder heeft eiser daarom ten onrechte in zijn bezwaar ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de beschikking mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of nog te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Nu verweerder eerst een eigen onderzoek heeft uitgevoerd alvorens advies te vragen aan het LBB kan niet gezegd worden dat is gehandeld in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Nu er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning, is artikel 4, tweede lid, van de Wet Bibob niet van toepassing. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte deze bepaling ten grondslag gelegd aan zijn standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. De rechtbank kwalificeert het nog niet aan de gemeente Culemborg terugbetaalde gedeelte van het door uitkeringsfraude verkregen voordeel anders dan verweerder. Zodra eisers zich buiten de grenzen van de gemeente Culemborg vestigen, zal deze gemeente eiseres’ restschuld kwijtschelden. Het voordeel dat eiseres door die kwijtschelding geniet, is naar het oordeel van de rechtbank geen voordeel verkregen uit een strafbaar feit. Het is immers een keuze van de gemeente Culemborg om het bedrag kwijt te schelden als eisers zich buiten de gemeentegrenzen vestigen. Dit voordeel vloeit voort uit de – rechtmatige – kwijtschelding door de gemeente, waarmee rechtstreeks verband tussen het voordeel en het destijds begane strafbare feit ontbreekt. Zelfs indien er echter, anders dan de rechtbank meent, van zou moeten worden uitgegaan dat eiseres’ schuld aan de gemeente ondanks de kwijtschelding daarvan blijft gelden als een door uitkeringsfraude verkregen voordeel, brengt het tijdsverloop sinds de periode 1999-2001 mee dat het rechtstreekse verband tussen het verkregen voordeel en de benutting daarvan inmiddels zo vergaand is afgenomen, dat er van ernstig gevaar in de zin van art. 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob redelijkerwijs geen sprake meer kan zijn. Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten waarop het LBB zich heeft gebaseerd, niet de conclusie kunnen dragen dat er in dit geval (nog) ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen voordelen te benutten. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken