Rb. Gelderland 19 april 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2118
AWBZ; jaarafrekeningen pgb; vaststellingsbeschikking en voorafgaande verantwoordingsbeschikkingen. De rechtbank is van oordeel dat het rechtsgevolg van een besluit tot vaststelling van de subsidie, als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Regeling in samenhang gelezen met artikel 4:46 van de Awb, niet gelijk is aan het rechtsgevolg van een besluit inzake de verantwoording van het voorschot, in de zin van artikel 2.6.13, eerste lid van de Regeling. Met de vaststellingsbeschikking, die na afloop van elk kalenderjaar of subsidieperiode wordt gegeven, stelt het zorgkantoor definitief het recht op en de hoogte van het budget over het kalenderjaar respectievelijk over de periode tussen 1 januari en het einde van de subsidieperiode vast. In de tussentijdse verantwoording bedoeld in artikel 2.6.13, eerste lid, van de Regeling wordt slechts vastgesteld of het pgb over de voorafgaande zes maanden verantwoord is. Daarbij geldt nog dat deze vaststelling een voorlopig karakter heeft, mede doordat verweerder bevoegd is het voorbehoud te maken dat het opvragen van de in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel d, bedoelde documenten tot een ander oordeel kan leiden. Het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat, indien een budgethouder zich niet kan vinden in de vaststellingsbeschikking, hij daarbij ook kan opkomen tegen de aan deze vaststelling ten grondslag liggende afwijzing van de verantwoording van het pgb en dat een eerder genomen verantwoordingsbeschikking daar niet aan afdoet.
De uitspraak op rechtspraak.nl