Rb. Gelderland 10 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:2087
Werknemer is in dienst als leraar en valt in oktober 2013 uit wegens ziekte en deze ziekte maakt dat terugkeer niet meer tot de mogelijkheden behoort. Op 23 september 2014 spreken partijen af een vervroegde WIA-uitkering aan te vragen. UWV neemt op 21 november 2014 een beslissing op de WIA-aanvraag en kent met ingang van 14 januari 2015 een IVA-uitkering toe. Tussen partijen staat niet ter discussie dat op de arbeidsovereenkomst van werknemer eind 2014 de cao voor het voortgezet onderwijs (hierna: cao VO) van toepassing was. In artikel 10.a.5 lid 5 cao VO is opgenomen dat een opzegging van een dienstverband voor onbepaalde tijd kan plaatsvinden op grond van het geraken in een toestand van blijvende ongeschiktheid op grond van ziekten of gebreken, zulks met inachtneming van de bepalingen van de Zavo. Bij brief van 11 december 2014 wordt door werkgever onder meer gemeld dat de aanstelling van werknemer op 1 november 2015 van rechtswege stopt, nadat de ziekteperiode van twee jaar is verstreken. De kantonrechter kwalificeert dit als opzegging. Ten tijde van het sturen van de brief stond ook reeds vast dat aan de drie genoemde voorwaarden uit de Zavo zou zijn voldaan. Op grond van artikel XXII van het overgangsrecht WWZ, blijven het BBA en afdeling 9 van Boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze luidden de dag vóór 1 juli 2015, van toepassing op een opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan vóór 1 juli 2015 en op de gedingen die daarop betrekking hebben. Voor de opzegging van de arbeidsverhouding met werknemer behoefde werkgever onder het oude recht geen voorafgaande toestemming van UWV, gelet op de uitzondering in artikel 2 BBA. Werknemer heeft derhalve geen recht op een transitievergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl