Rb. Gelderland 30 juli 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5861
Tussenuitspraak. Evenementenvergunningen voor Aalten Dagen 2014 en het Volksfeest 2014, te Aalten. Geluidsnormen. Overlast. Eisers hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de vergunningen niet hadden mogen worden verleend en subsidiair dat ook een norm van 80 dB(A) te hoog is. Daartoe hebben eisers aangevoerd dat zij als gevolg van de vergunde evenementen op de onderhavige locatie, op enkele meters van de woning, ernstige hinder ondervinden, die onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefsituatie in de directe omgeving tot gevolg heeft en schadelijk is voor de gezondheid van eisers. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat er ook bij een geluidsniveau van 80 dB(A) sprake is van onduldbare hinder, gewezen op de “Nota evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg van januari 1996 (hierna: Nota). Voor evenementen met een luidruchtig karakter bestaan, anders dan voor inrichtingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, geen landelijk geldende geluidsnormen. Wat aanvaardbaar wordt geacht is ter beoordeling van het lokale gezag, dat belast is met het verlenen van vergunningen en ontheffingen. De rechtbank kan de door het lokale gezag gemaakte afweging met betrekking tot het geluidsniveau dat aanvaardbaar wordt geacht slechts marginaal toetsen. De rechtbank stelt voorop dat de geluidsnormen uit de Geluidsverordening als zeer ruim kunnen worden gekenschetst. Bij het maximaal toegestane geluidsniveau, volgens artikel 5 van de Geluidsverordening gemeten zonder strafcorrectie voor muziekgeluid, is in zijn algemeenheid al een behoorlijke mate van hinder te verwachten. Hoewel aan verweerder een aanzienlijke beleidsvrijheid toekomt ten aanzien van de concrete geluidsnormen in vergunningen als de onderhavige, geldt naar het oordeel van de rechtbank niettemin voor beide evenementen de uiterste grens dat verweerder een evenementenvergunning in redelijkheid slechts kan verlenen als er geen sprake is van onduldbare hinder voor belanghebbenden die in de directe omgeving wonen. Het is de rechtbank uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat aan het verbinden van de geluidsnormen aan de bestreden vergunningen een onderzoek ten grondslag heeft gelegen naar de vraag wat onder deze omstandigheden aan overlast voor omwonenden nog toelaatbaar is. Onder deze omstandigheden is het voor de rechtbank niet inzichtelijk waarom met de thans aan de vergunningen verbonden maximale geluidsnormen in de gegeven omstandigheden op deze locatie geen sprake is van onduldbare hinder. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl