Rb. Gelderland 21 januari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:287
Regeling voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Door OM opgelegde voorwaarde tot klinische opname niet in strijd met artikel 5 EVRM Artikelen: 15, 15a, 15g, 15j Wetboek van Strafrecht en 5 EVRM Op grond van vergelijking met jurisprudentie van het EHRM en van de Hoge Raad, komt de rechtbank tot het oordeel dat de aan veroordeelde als voorwaarde opgelegde opneming in een zorginstelling niet moet worden gezien als een nieuwe strafoplegging, maar als een andere invulling van de oorspronkelijke veroordeling door de strafrechter, met het oog op het bewerkstelligen van een "gecontroleerde en geleidelijke overgang van detentie naar vrijheid" en het voorkomen van recidive. Deze voortgezette vrijheidsbeneming is daarmee nog steeds een rechtstreeks gevolg van de veroordeling door de strafrechter, zoals vereist door artikel 5 EVRM. De regeling van artikel 15a Sr is daarmee niet in strijd met artikel 5 EVRM en de bijzondere voorwaarde tot opneming in een zorginstelling is niet onrechtmatig. Deze voorwaarde tot opneming in een zorginstelling dient slechts te worden beschouwd als een wijze van tenuitvoerlegging van de door de rechter opgelegde straf. En het openbaar ministerie is daartoe - sinds de wijziging van artikel 15a Sr met ingang van 1 april 2012 - ook bevoegd. Veroordeelde heeft deze voorwaarde overtreden. De rechtbank wijst daarom de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (ten dele) toe, en wel voor de duur van 120 dagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl