Rb. Gelderland 26 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1225
5. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat hij als eigenaar van de betreffende A-watergangen de hem toekomende visrechten exclusief heeft uitgegeven aan de Coöperatieve Vereniging Samenwerkende Vissers U.A. (hierna: de Vereniging). Hierbij hanteert verweerder als uitgangspunt dat de visrechten binnen hetzelfde watergebied slechts aan één beroepsvisser worden toegekend. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat aan de Vereniging niet de eis wordt gesteld te beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur. Uit de door verweerder gegeven toelichting blijkt dat deze handelswijze is ingegeven door praktische overwegingen en door het feit dat de Vereniging over de visrechten van het bedoelde watergebied beschikt en verweerder in dat verband met hem een huurovereenkomst heeft gesloten, waarin voldoende waarborgen zijn opgenomen om onderhoud aan de betreffende watergangen te kunnen plegen. 6. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat er, in het licht van de belangen die de Keurbepaling beoogt te beschermen, geen steekhoudende redenen zijn om aan de Vereniging niet de eis te stellen dat zij over een watervergunning beschikt. Dat zij over de visrechten beschikt is geen relevant verschil omdat, zoals al eerder aangegeven, de Keurbepaling geen visserijbelangen dient maar waterstaatkundige belangen. Voor zover in de huuroverkomst met de Vereniging een waarborg is gelegen voor deugdelijk onderhoud – wat daar verder ook van zij – zou dat wellicht kunnen meewegen bij de beslissing om de watervergunning te verlenen, maar niet om haar de facto te ontheffen van de verplichting over een zodanige vergunning te beschikken. Nu aan eiseres wel is tegengeworpen dat zij niet over de bedoelde watervergunning beschikt en aan de Vereniging niet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Gezien het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel zodat dit voor vernietiging in aanmerking komt. Nu hetzelfde gebrek kleeft aan het primaire besluit van 18 februari 2014 en de invorderingsbesluiten van 13 maart, 14 maart, 21 maart (twee maal) en 27 maart 2014 ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en deze besluiten te herroepen. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.
De uitspraak op rechtspraak.nl