Rb. Gelderland 19 november 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:7844
Eisende partij vordert dat de kosten van het vervangen van in 1991 geplaatste borstprotheses door VGZ worden vergoed op basis van de met VGZ afgesloten basiszorgverzekeringsovereenkomst. Het is voldoende duidelijk dat sprake was van een medische noodzaak voor de operatie in 1991 en ook dat deze niet een primair cosmetisch doel had. Tevens leidt de kantonrechter uit de tekst van het operatie verslag (1991) af dat sprake was van een gedeeltelijke amputatie in de zin van artikel 2.1 regeling Zorgverzekering. De strekking van deze bepaling is om vervanging van borstprotheses niet te vergoeden als de eerste behandeling (de plaatsing van die protheses) niet strikt medisch nodig was maar een primair cosmetisch doel had. Dat deze regeling die strekking heeft blijkt overigens ook uit de door eisende partij overgelegde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep uit 2008 (19 mei 2008, LJN BD2441 en LJN BD2436). Die uitspraken hadden weliswaar betrekking op een andere regeling (uit 2005), maar de tekst van die regeling, die als voorganger van de artikel 2.1. Regeling Zorgverzekering kan worden beschouwd, is nagenoeg gelijk. De vordering wordt toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl