Rb. Gelderland 29 juli 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:4781
Ziektewet – weigering voorschot bij onzekerheid over het recht op bezoldiging in geval van ontslag ambtenaar. De voorzieningenrechter overweegt dat het ontslagbesluit in werking is getreden en dat het daartegen gemaakte bezwaar geen schorsende werking heeft, waarmee vaststaat dat geen recht op bezoldiging bestaat. Daar komt nog bij dat het verzoek om voorlopige voorziening inzake het ontslag na het primaire besluit is afgewezen, zodat ook thans geen onzekerheid bestaat. Dat het ontslagbesluit niet in rechte onaantastbaar is maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat onzekerheid bestaat over het recht op bezoldiging. De wetsgeschiedenis wijst er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet eenduidig op dat de wetgever met artikel 47a, eerste lid, van de ZW mede het oog heeft gehad op een geval als het onderhavige, waarin geen dispuut bestaat over het recht op bezoldiging (tijdens ziekte) maar over het al dan niet terecht beëindigen van de dienstbetrekking. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan zou verzoeker gedurende langere tijd noch aanspraak hebben op een uitkering of voorschot, noch op betaling van bezoldiging. Dat dit een consequentie is die de wetgever voor lief heeft willen nemen, acht de voorzieningenrechter niet af te leiden uit de wetsgeschiedenis. Toewijzing voorlopige voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl