Rb. Gelderland 9 april 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:2462

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft in het kader van een bezwaarschift ex artikel 22g van een 37 jarige beklaagde een verweer dat zou moeten leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar verworpen. De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar een beslissing van de politierechter Almelo van 27 februari 2013 (BZ3939) aangegeven dat een niet ondertekende brief van het Centraal Justitieel Incassobureau, gericht aan de veroordeelde met als onderwerp “Kennisgeving omzetting” zou moeten leiden tot een gegrondverklaring. Deze stellingname is onjuist. Het getekende bevel tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis wordt middels een brief, die uit efficiency overwegingen geautomatiseerd wordt aangemaakt en niet wordt ondertekend (de zogenaamde kennisgeving), aan de veroordeelde betekent. In onderhavige casus is deze kennisgeving aan de veroordeelde betekend en is er door veroordeelde binnen de bezwaartermijn bezwaar ingediend. De politierechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat aan veroordeelde voldoende duidelijk is gemaakt dat onderhavige stukken van het Openbaar Ministerie afkomstig waren en deelt in deze het standpunt van de directie Wetgeving van het Ministerie van Justitie zoals omschreven in het schrijven van het Centraal Justitieel Incassobureau van 2 oktober 2012 namelijk dat deze kennisgeving niet behoeft te zijn getekend. Gelet op het vorenstaande wordt het verweer verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen