Rb. Gelderland 18 maart 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1685
Vaststelling eigen bijdrage AWBZ zorg met verblijf. Vermogensinkomensbijtelling. Geen sprake van schending artikel 1 van het Eerste Protocol. De wetgever heeft ervoor gekozen om verzekerden die, naast hun maandelijkse inkomen, uitkering of pensioen, een vermogen hebben een eigen bijdrage te laten betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële situatie. Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan artikel 6, vierde lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Bijdragebesluit zorg een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat toepassing van artikel 6, vierde lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Bbz voor eiseres leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is de rechtbank niet gebleken. Gelet op de afweging van de wetgever ten aanzien van de gevolgen voor de betrokken burgers, bestuursorganen en de (kosten voor de) samenleving, is de rechtbank van oordeel dat met de keuze voor een vermogensinkomensbijtelling middels een percentage van het box 3 vermogen is voorts voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Niet gebleken is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen eiseres en andere personen met vermogen, nu voor iedereen op wie het Bbz van toepassing is voor de berekening van de eigen bijdrage 8% van de grondslag sparen en beleggen wordt bijgeteld. Bij het met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 ingevoerde artikel 1a van het Bbz (Stb. 2013, 535), waarin in het vierde lid een uitzondering is gemaakt voor bedragen ter grootte van door de verzekerde in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen (waaronder letselschade uitkeringen), is in de nota van toelichting uitvoerig stilgestaan bij de door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangedragen ongewenste gevolgen van de vermogensinkomensbijtelling. De Tweede Kamer heeft ten aanzien van deze groepen gewezen op het feit dat het gaat om personen die smartengeld of een schadevergoeding hebben gekregen als compensatie voor het aangedragen leed, mede omdat zij niet meer kunnen werken en niet meer het nodige kunnen doen om hun eigen financiële positie te verbeteren door andermans toedoen. Nu dat bij eiseres niet het geval is, kan niet gezegd worden dat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid in de situatie van eiseres en de uitgezonderde groepen. De eigen bijdrage is inkomensafhankelijk en wordt jaarlijks opnieuw berekend op basis van de inkomensgegevens van het peiljaar. Daaruit volgt al dat betrokkenen er steeds rekening mee moeten houden dat de verschuldigde bijdrage voor enig jaar anders kan zijn dan die voor het voorgaande jaar. Dat het gewijzigde Bbz inzake de vermogensinkomensbijtelling eerst op 5 december 2012 is gepubliceerd en per 1 januari 2013 in werking trad en aldus een zeer kort tijdsverloop was tussen bekendmaking en inwerkingtreding, maakt niet dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl