Rb. Gelderland 4 juni 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA2470
Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers recht op bijstand ingevolge de Wwb per 14 december 2012 beëindigd en over de periode van 13 juli 2011 tot en met 14 december 2012 ingetrokken. Ten aanzien van de vraag of eiser gezien zijn verblijfsrechtelijke status in de in geding zijnde periode recht op bijstand heeft moet deze periode in drieën worden verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is in de eerste periode sprake van verblijf in Nederland in afwachting van een beslissing op zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Er is dus geen rechtmatig verblijf op grond van het bepaalde in artikel 8, aanhef en onderdeel g of h van de Vw 2000. In de tweede periode is sprake van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h van de Vw 2000, maar is niet voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, IOAW en IOAZ. In de laatste periode was geen sprake van een rechterlijke beslissing op grond waarvan de uitzetting van eiser achterwege diende te blijven, noch diende de uitzetting van eiser bij of krachtens de Vw 2000 achterwege te blijven. Dit betekent dat in deze periode niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8, aanhef en onderdeel h, van de Vw 2000. Conclusie is dat eiser in de gehele periode in geding niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, derde lid van de Wwb en dus geen recht heeft op bijstand.
De uitspraak op rechtspraak.nl