Rb. Gelderland 15 augustus 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:6494

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet participatiebudget (Wpb) een bedrag van € 4.350.836,- teruggevorderd van het aan de gemeente verstrekte participatiebudget 2009. De gemeente had op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (Bbv) een voorziening getroffen ten laste van het participatiebudget 2009 voor de toekomstige loonkostensubsidies die eiser verschuldigd is voor een groep mensen die voorheen op gesubsidieerde arbeidsplaatsen werkte (voormalige WIW/ID-ers). De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat dit bedrag niet ten laste van het participatiebudget 2009 mag worden gebracht omdat geen sprake is van een besteding in de zin van de Wpb. In aanmerking genomen dat de werkgevers betaald worden voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomsten voortduren, betreft het hier trajecten die over meerdere kalenderjaren worden gerealiseerd, zodat deze op grond van het baten-lasten stelsel ook over meerdere jaren moeten worden verantwoord. Daarmee verhoudt zich niet het ten laste van één enkel jaar brengen van de integrale kosten van dit meerjarige traject. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat de wijziging van het Besluit participatiebudget (Bbp) per 14 oktober 2009 in strijd is met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Op grond van het Bbp kon, indien in een kalenderjaar het participatiebudget niet volledig was besteed aan participatie-voorzieningen, het college het niet bestede bedrag tot maximaal 60% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget reserveren voor besteding aan participatievoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar. Bij besluit van 14 oktober 2009 is “60%” vervangen door “25%”. De rechtbank toetst het gewijzigde artikel 12 van het Bpb exceptief en is van oordeel dat deze wijziging in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De reserveringsregeling strekt ertoe dat met bestedingen over verschillende jaren kan worden geschoven teneinde een optimale planning mogelijk te maken. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser bij het maken van de planning voor 2009 rekening heeft gehouden met de reserveringsregeling zoals die gold tot 14 oktober 2009 en dat eiser, had hij geweten van de wijziging van die regeling, andere bestedingsbeslissingen zou hebben genomen. Verder acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het voor eiser niet mogelijk was om in 2009 nog adequaat op deze wijziging in te spelen bij de besteding van het participatiebudget 2009, aangezien deze wijziging pas op 14 oktober 2009 bekend werd gemaakt. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat eiser al eerder kon weten dat er een wijziging van de reserveringsregeling zou komen. Verweerder heeft echter niet onderbouwd op grond waarvan eiser kon weten dat ook voor het lopende jaar 2009 nog een wijziging voorbereid werd. De wijziging moet daarom buiten toepassing worden gelaten en het maximaal te reserveren bedrag moet worden vastgesteld op basis van de voor de wijziging van 14 oktober 2009 geldende percentages.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen