Rb. Gelderland 21 augustus 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:2663

Rechtbank Gelderland stelt drie (prejudiciële) rechtsvragen aan de Hoge Raad betreffende de positie van de beschermingsbewindvoerder in rechtszaken waarin de rechthebbende is betrokken en in het bijzonder in rechtszaken waarin ontbinding van de huurovereenkomst met de rechthebbende (en ontruiming van de woning) wordt gevorderd. De drie vragen zijn: Kan de beschermingsbewindvoerder (art. 1:435 BW) door te verschijnen in een zaak waarin de rechthebbende is gedagvaard (in casu door een verzetdagvaarding uit te brengen) als procespartij worden aangemerkt? Zo nee, kan dat – tijdens de procedure alsnog – worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld doordat een verklaring van de rechthebbende in de procedure wordt ingebracht inhoudende een instemming met de verschijning (van de beschermingsbewindvoerder) in die procedure? Dient de beschermingsbewindvoerder te worden gedagvaard ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (ervan uitgaande dat het geschil de onder bewind staande goederen betreft)? Dient een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende (voor de instelling van het bewind) gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde te worden ingesteld tegen de rechthebbende zelf of (juist) tegen de beschermingsbewindvoerder?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen