Rb. Dordrecht 24 februari 2012, ECLI:NL:RBDOR:2012:BW5080
Ten tijde van de afkoop van het grafrecht in 1966 gold de Verordening, zoals weergegeven onder 2.1.2. Uit de tekst van artikel 6 van de Verordening blijkt dat de heffing van onderhoudsrecht ziet op een geheel van prestaties en dat deze prestaties niet alleen betrekking hebben op het op het graf geplaatste gedenkteken, maar ook op onder andere de beplanting. Ook de afkoop van dit recht ziet derhalve op een samenstel van prestaties. Het ligt dan niet voor de hand dat het uitsluitend vervangen van de grafzerk tot gevolg heeft dat de afkoop van het onderhoudsrecht komt te vervallen. Voorts blijkt uit artikel 8 van de Verordening niet voor hoelang de onderhoudsgelden door betaling het 30-voud van het jaarlijkse recht worden afgekocht, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de afkoop geldt voor de gehele periode waarin het recht tot begraven voor de rechthebbende voortduurt. Tevens blijkt niet uit de Verordening dat bij plaatsing van een nieuw gedenkteken sprake is van een nieuw belastbaar feit en dat derhalve opnieuw onderhoudsgeld geheven kan worden. Ook is niet gesteld, noch gebleken dat door de plaatsing van een nieuw gedenkteken het onderhoud van aard is gewijzigd dan wel omvangrijker is geworden. Gelet op het vorenstaande moet dan ook worden aangenomen dat de afkoop van het onderhoudsrecht ook zou voortduren bij de vervanging van het gedenkteken.
De uitspraak op rechtspraak.nl