Rb. Dordrecht 25 april 2012, ECLI:NL:RBDOR:2012:BW4648
Bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen de effectuering door de burgemeester van een aan een derde opgelegde last onder dwangsom tot sluiting van een koffie- en theehuis. Brief met mededeling van de burgemeester dat de termijn waarbinnen de exploitatie van het koffie- en theehuis diende te worden beëindigd, is verstreken en wanneer de sluiting zal worden geëffectueerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen en overweegt: “De effectuering van de aan […] opgelegde last onder bestuursdwang is volgens vaste jurisprudentie geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar en beroep open staat, maar een feitelijke handeling. Voor zover verzoekers bezwaar daartegen is gericht, is het dan ook niet-ontvankelijk. Verzoekers bezwaar is kennelijk ook gericht tegen verweerders vaststelling bij brief van 16 maart 2012 dat de overtreding door […] na het verstrijken van de gegeven begunstigingstermijn voortduurde. Dit bezwaar is eveneens niet-ontvankelijk. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de wetgever met artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb uitsluitend een rechtsmiddel willen creëren voor degenen die effectuering van een last onder bestuursdwang willen afdwingen bij een bestuursorgaan dat daartoe niet over gaat (zie Tweede Kamer 2003-2004, 29702, nr. 3, p. 110-111). De invoering van dit artikel laat onverlet dat het bestuursorgaan na het verstrijken van de voor de last gegeven begunstigingstermijn op grond van het lastgevend besluit bevoegd is over te gaan tot de effectuering van de bestuursdwang en gerechtigd is de daarmee gepaard gaande schade te veroorzaken, zonder een daaraan voorafgaande (appellabele) beschikking tot vaststelling dat de overtreding door de lasthebber voortduurt. Geschillen over de geëffectueerde bestuursdwang kunnen daarom slechts binnen het kader van het te nemen besluit tot kostenverhaal van de toegepaste bestuursdwang op de overtreder als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb aan de bestuursrechter worden voorgelegd, hetgeen hier niet aan de orde is. In alle overige gevallen dienen deze geschillen aan de civiele rechter te worden voorgelegd.”
De uitspraak op rechtspraak.nl