Rb. Dordrecht 1 juni 2011, ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ9617
1. Bezwaarschriften tegen een verleende bouwvergunning door meerdere partijen. Het bezwaar van één van de partijen is niet-ontvankelijk. In de heroverweging naar aanleiding van de wel ontvankelijke bezwaren concludeert het college van B&W dat ontheffing met toepassing van artikel 3.23 van de Wro voor de verleende bouwvergunning benodigd is. Het college van B&W bereidt deze ontheffing voor met de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. De in bezwaar niet-ontvankelijke partij dient tegen het ontwerp-besluit tijdig een zienswijze in. Tegen de verlening van de bouwvergunning met ontheffing stelt de in bezwaar niet-ontvankelijke partij tijdig beroep in. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de na heroverweging naar aanleiding van de ontvankelijke bezwaren verleende bouwvergunning met ontheffing voor de in bezwaar niet-ontvankelijke partij moet worden aangemerkt als een primair besluit waartegen voor deze partij beroep open stond omdat dit besluit is voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu het college van B&W op basis van de volgens afdeling 3.4 van de Awb te volgen procedure gehouden was belanghebbenden in de gelegenheid te stellen tegen dat ontwerp-besluit hun zienswijzen in te dienen, de in bezwaar niet-ontvankelijke partij tegen dit ontwerp-besluit mocht opkomen zonder dat die partij op grond van artikel 6:13 van de Awb een verwijt kon worden gemaakt tegen de eerder verleende bouwvergunning niet te zijn opgekomen. Het beroep van de in bezwaar niet-ontvankelijke partij tegen het (voor deze partij) primaire besluit tot het verlenen van bouwvergunning met ontheffing is dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontvankelijk. 2. Verzoek om voorlopige voorziening ingediend binnen de beroepstermijn in samenhang met een beroep tegen een aanlegvergunning ingevolge artikel 3.16 van de Wro en een bouwvergunning met ontheffing ingevolge artikel 3.23 van de Wro. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het kennelijke betoog van het college van B&W ter zitting dat de voorzieningenrechter niet kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten wegens het ontbreken van spoedeisend belang aan de zijde van verzoekers omdat de aanlegsteiger inmiddels is gerealiseerd, faalt. In afwijking van de algemene systematiek voor de inwerkingtreding van besluiten als neergelegd in de Awb, treden de verleende ontheffing en de verleende aanlegvergunning pas in werking met ingang van de zevende week na de dag waarop zij zijn bekendgemaakt. Bovendien wordt de inwerkingtreding van die besluiten verder opgeschort indien binnen de bezwaar- of beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend, dus onafhankelijk van de vraag of sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Die schorsing wordt verder ingevolge artikel 8:4 van de Wro niet eerder opgeheven dan met een uitspraak van de voorzieningenrechter. Volgens de systematiek van de Wro kan een bestreden besluit dus eerst in werking treden na een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid ervan door de voorzieningenrechter. Deze door de wetgever beoogde, van de algemene systematiek van de Awb afwijkende regeling brengt met zich, dat het ontbreken van spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81van de Awb niet in de weg kan staan aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten door de voorzieningenrechter. 3. Ontheffing met toepassing van artikel 3.23 van de Wro in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bro verleend voor een ponton van 158 m2 met een loopbrug van 24 m2, die in onderlinge samenhang fungeren als aanlegsteiger. Niet in geschil is dat de aanlegsteiger in zijn geheel moet worden aangemerkt als één bouwwerk (geen gebouw zijnde). De voorzieningenrechter is van oordeel dat het kennelijke betoog van verzoekers dat ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bro geen vrjjstelling kan worden verleend voor een gedeelte van een bouwwerk, geen doel treft. De voorzieningenrechter acht die uitleg te beperkt in het licht van de strekking van de regeling voor buitenplanse vrijstellingen in hoofdstuk 4 van de Wro, bezien in samenhang met hetgeen overigens in artikel 4.1.1, eerste lid, van het Bro is geregeld. Nu alleen de loopbrug, en wel uitsluitend voor zover deze op de oever wordt gerealiseerd, in strijd is met de voor de oever geldende bestemmingen “Groenvoorzieningen” en “Waterstaatsdoeleinden” en dit strijdige oppervlak minder dan 50 m2 beslaat, was het college van B&W bevoegd de bestreden vrijstelling te verlenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 Wonw
- Artikel 44 Wonw
- Artikel 46 Wonw
- Artikel 1:2 Awb
- Artikel 3:10 Awb
- Artikel 6:11 Awb
- Artikel 6:13 Awb
- Artikel 7:1 Awb
- Artikel 8:81 Awb
- Artikel 8:86 Awb
- Artikel 8:81van Awb
- Artikel 3.16 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 3.23 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 3.24 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 8.4 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 4.1.1 Besluit ruimtelijke ordening
- Artikel 1.2 Invoeringswet Wabo