Rb. Dordrecht 10 februari 2011, ECLI:NL:RBDOR:2011:BP5399
Agentuurovereenkomst. Duitse principaal, Nederlandse handelsagent. Nederlandse (kanton)rechter bevoegd. Nederlands recht van toepassing. De vorderingen in conventie en reconventie ter zake van de eindafrekening februari 2010 worden afgewezen nu, nadat partijen bij akten in de gelegenheid zijn gesteld een nadere toelichting te geven, alsmede inzichtelijk te maken hoe de eindafrekening februari 2010 tot stand is gekomen, noch voor de ene stelling noch voor de andere stelling, mede gelet op de gemotiveerde betwisting over en weer, voldoende aanknopingspunten zijn te vinden. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Provisie over de maanden maart –juni 2010 alsmede autokosten maart/april 2010 worden toegewezen. De handelsagent vordert onder meer een verklaring voor recht dat de agentuurovereenkomst door hem is opgezegd op grond van dringende redenen bij brief van 20 april 2010. Voor de beoordeling van de dringende reden wordt aansluiting gezocht bij voormelde brief. Wat verder in de dagvaarding nog aanvullend staat vermeld, wordt buiten beschouwing gelaten nu voor de principaal buiten de opzeggingsbrief niet aanstonds duidelijk had kunnen zijn dat ook op basis van deze omstandigheden de agentuurovereenkomst is opgezegd. Geconcludeerd wordt dat de handelsagent de agentuurovereenkomst zonder dat sprake was van een dringende reden heeft opgezegd. Deels zijn de feiten en omstandigheden die een dringende reden zouden moeten opleveren niet komen vast te staan, deels zijn zij niet redengevend voor het aannemen van een dringende reden in de zin van artikel 7:439 BW. De handelsagent wordt schadeplichtig geacht op grond van artikel 7:439 jo. artikel 7:441 lid 1 BW. Een klantenvergoeding is niet aan de orde op grond van artikel 7:442 lid 4 sub b BW.
De uitspraak op rechtspraak.nl