Rb. Dordrecht 16 september 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BN7990

Weigering kinderbijslag. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Geen rechtmatig verblijf voor verzoekers of hun kinderen. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat uit de door verzoekers aangehaalde rechtstreeks werkende verdragsbepalingen van het EVRM en het IVRK moet worden afgeleid dat aan hen, ongeacht het bepaalde in de AKW, kinderbijslag moet worden toegekend. In zijn arresten van 25 oktober 2005 in de zaken Niedzwiecki vs Duitsland, nr. 58453/00 en Okpisz vs Duitsland, nr. 59140/00, oordeelt het EHRM over het recht op kinderbijslag dat het staten mogelijk maakt hun respect voor gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM te tonen, zodat kinderbijslag onder de reikwijdte van dat artikel valt. Anders dan de vreemdelingen in die zaken, zijn verzoekers geen vreemdelingen die ten tijde hier in geding rechtmatig verbleven op het grondgebied van de betrokken staat. De door de CRvB beschreven rechtvaardiging voor het met de koppelingswetgeving geïntroduceerde onderscheid naar nationaliteit voor het recht op kinderbijslag gaat voor verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onverkort op. Daarmee mag toepassing van de nationale wetgeving in dit geval, mede gelet op hetgeen hierboven in verband met het arrest van het EHRM van 27 mei 2008 is overwogen, proportioneel worden geacht, zodat op dit punt een vergelijking niet op gaat met de door verzoekers aangehaalde arresten van het EHRM van 15 januari 2009 in de zaak Cocic vs Kroatië, nr. 28261/06, en van 9 oktober 2007 in de zaak Stanková vs Slowakije, nr. 7205/02. De voorzieningenrechter ziet in de specifieke omstandigheden van (de kinderen van) verzoekers geen aanleiding voor een ander oordeel. Niet is immers afdoende komen vast te staan dat verzoekers met hun gezin niet naar het voor hen geldende land van herkomst kunnen terugkeren. Evenmin is gebleken dat zij hun gezinsleven met hun acht thuiswonende kinderen niet kunnen uitoefenen. Ten slotte ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekers daarover hebben aangevoerd, onvoldoende grond voor het oordeel dat zij of hun kinderen behoren tot de categorie van kwetsbare personen die in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Het beroep van verzoekers op artikel 8 van het EVRM in samenhang met artikel 14 van het EVRM faalt daarom.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen