Rb. Dordrecht 2 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BM2363
Verweerster heeft bij de bepaling van het aantal uur huishoudelijke hulp dat verzoekster nodig heeft, gebruik gemaakt van een ‘tijdnormering Hulp bij het Huishouden’ uit een Wmo richtlijn. Verweerster heeft de standaardnormering aan verzoekster toegekend, met daarbij toekenning van een half uur per week voor het in orde houden van huishoudelijke apparaten. Het gebruik van een dergelijke richtlijn ontslaat verweerster echter niet van de verplichting om in het individuele gevallen te onderzoeken of de geboden hulp als compensatie kan gelden van de beperkingen die iemand ondervindt, waarbij, gelet op de bovengenoemde uitspraak van de Raad, een besluit maatwerk dient te zijn. De stelling van verzoekster dat zij meer uren huishoudelijke hulp nodig heeft wegens haar beperkingen heeft verweerster weersproken met het overgelegde advies van de sociaal geneeskundige van de GGD (hierna: het advies). Dit advies geeft echter geen inzicht in de vraag op welke wijze verzoekster met de toegekende hulp voldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen, gelet op haar persoonskenmerken en behoeften. In de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal verweerster moeten onderzoeken met welk aantal uren huishoudelijke hulp verzoekster wordt gecompenseerd in haar beperkingen op het gebied van het voeren van een huishouden. Daarbij moet een resultaat worden bereikt dat kan worden gekwalificeerd als compensatie van de beperkingen die verzoekster ondervindt bij het voeren van het huishouden. Bij het toekennen van de voorzieningen dient verweerster, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Wmo rekening te houden met de persoonskenmerken en de behoeften van verzoekster. Ter voorlichting van verweerster merkt de voorzieningenrechter daarbij op dat dit niet inhoudt dat verweerster geen gebruik zal kunnen maken van zijn standaard-indicatie voor Hulp bij het Huishouden, maar dat ten aanzien van iedere taak zal moeten worden afgewogen of in de situatie van verzoekster aanleiding bestaat om van de standaard aangewezen tijd af te wijken. De keuze om wel of niet af te wijken zal gemotiveerd moeten worden met het oog op de situatie van verzoekster. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster desgevraagd verklaard dat verzoekster behoefte heeft aan minimaal vier uur per week extra huishoudelijke hulp. Deze verklaring is ondersteund door (a) en (b), hulpverleners van verzoekster. Verweerster heeft niet betwist dat dit een aantal uren onredelijk zou zijn. Gelet op de slechte gezondheidstoestand van verzoekster en de tijd die nodig zal zijn om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorziening te treffen. De voorlopige voorziening houdt in dat verzoekster tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar in aanmerking komt voor vier uur per week huishoudelijk hulp extra, zodat verzoekster met ingang van de datum van de uitspraak tot zes weken na de beslissing op het bezwaar recht heeft op vijftien uur huishoudelijke hulp in natura per week.
De uitspraak op rechtspraak.nl