Rb. Dordrecht 14 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BM1832

Eiseres is als hoofdelijk schuldenares voor het krediet van o.a. haar voormalige dochteronderneming aangesproken. De bank heeft deze vordering op eiseres verrekend met een vrijvallend deposito van eiseres bij de bank. Eiseres stelt aldus te zijn gesubrogeerd in de pandrechten van de bank (art. 6:12 BW, art. 6:142 BW). de voormalige dochteronderneming is gefailleerd en eiseres stelt dat de bank bij de afwikkeling en op het punt van de pandrechten onder meer instrijd heeft gehandeld met art. 6:154 BW. Zij vordert schadevergoeding (€ 49.686,84). Verder vordert zij rente over te laat vrijgegeven rastant van het deposito. (€836,75). Laatstgnoemde vordering toegewezen, overige vorderingen afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen