Rb. Dordrecht 2 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BM0124
Eiser heeft gesteld dat verweerder een onjuiste controleperiode heeft gehanteerd. Naar de mening van eiser dient voor de berekening van het vereiste van 32 uur niet te worden uitgegaan van het kalenderjaar maar van het studiejaar. Nu verweerder het gehele studiejaar 2007/2008 heeft gewerkt kan het gemiddeld aantal uren over die 12 maanden berekend worden en voldoet hij wel aan de minimumeis van 32 uur. De uitspraak van de CRvB van 24 juli 2009 verzet zich niet tegen een dergelijke uitleg, aldus eiser. De rechtbank kan eiser niet volgen in deze stelling. De CRvB gaat in evengenoemde uitspraak bij de berekening van het vereiste van 32 uur, nu het in dat geval de periode van april tot en met september betrof, uitdrukkelijk uit van het kalenderjaar en niet van het studiejaar. Verweerder heeft bij de berekening van het vereiste van 32 uur ten aanzien van eiser dan ook kunnen uitgaan van het kalenderjaar. De rechtbank is ook overigens niet gebleken dat de door verweerder gemaakte berekening onjuist is. Voorts is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van de Beleidsregel niet gebleken. Dat het contract van eiser bij een ijssalon dat afliep op 6 september 2007 niet werd verlengd en hij op zoek moest naar ander werk dat hij pas per 1 oktober 2007 heeft gevonden is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser dient te komen. Verweerder heeft dan ook terecht besloten dat eiser vanaf september 2007 geen recht had op studiefinanciering.
De uitspraak op rechtspraak.nl