Rb. Dordrecht 12 februari 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BL9409
De rechtbank ziet geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de door de benoemde deskundige op basis van de gedingstukken en zijn onderzoek gegeven beantwoording van de gestelde vragen. In vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (vgl. ABRS 28 juni 1999, JB 1999/219) ligt besloten dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. De rapportage is niet innerlijk tegenstrijdig of anderszins onbegrijpelijk. Ook overigens is niet gebleken van een tot een uitzondering op het hierboven genoemde beginsel leidende bijzondere omstandigheid. Derhalve volgt de rechtbank de deskundige in zijn oordeel dat er een duidelijk verband bestaat tussen de psychische klachten en symptomen van eiser en het dragen van zijn geslachtsnaam en dat dit lijden wordt verlicht en/of opgelost door een naamswijziging en het dragen van de door eiser gewenste naam. Daaraan doet niet af het standpunt van verweerder dat hij niet de beschikking had over dit deskundigenrapport ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar en dat het een ex-tunc-toetsing betreft. De rapportage van de deskundige vormt immers een nader bewijs van de ten tijde van het bestreden besluit bestaande toestand van eiser als bedoeld in artikel 6 van het Besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl