Rb. Dordrecht 6 juli 2007, ECLI:NL:RBDOR:2007:BA9128
1. De kennelijke opvatting van eiseres dat reeds de betaling van een vergoeding voor het gebruik van de kade (en loswal) uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente Oud-Beijerland eraan in de weg staat dat zij belastingplichtige is vanwege het gebruik van de kade als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, is onjuist. Die situatie doet zich slechts voor indien de kade door die overeenkomst aan de bestemming voor de openbare dienst is onttrokken (vergelijk: HR 5 september 2003; BNB 2004, 23). 2. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich kennelijk en terecht op het standpunt dat de kade “voor de openbare dienst bestemd” is als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de kade de bestemming voor de openbare dienst heeft verloren door de overeenkomst tussen M.en de gemeente O., althans is niet gebleken van een recht op een zodanig exclusief gebruik dat de kade geacht kan worden daardoor aan de bestemming voor de openbare dienst te zijn onttrokken. Voorts is van belang dat het vereiste van voorafgaande toestemming door de gemeente (de havenmeester) voor het innemen van een ligplaats in de haven, naar verweerder onbetwist heeft toegelicht, in Nederlandse havens in het algemeen en ook in de onderhavige haven gebruikelijk is voor schepen die er niet hun thuishaven hebben. Reeds om die reden doet dit vereiste niet af aan de bestemming voor de openbare dienst. Evenmin blijkt het door eiseres gestelde exclusieve gebruiksrecht uit de wijze waarop de partijen bij de overeenkomst daaraan uitvoering hebben gegeven. Voorts staat als niet door eiseres betwist vast dat verweerder stelselmatig andere (rechts-)personen dan eiseres in de heffing van havengeld heeft betrokken, voor het gebruik van de kade, hetgeen niet wijst op een zodanig exclusief gebruiksrecht voor eiseres dat de kade daardoor geacht moet worden aan de openbare dienst te zijn onttrokken. Nu de kade niet als gevolg van voormelde overeenkomst aan de openbare dienst is onttrokken noch daarvan anderszins is gebleken, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de kade een bij de haven behorend voor de scheepvaart bestemd gemeentelijk werk is als bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Verweerder is dus bevoegd tot heffing. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres in de heffing van de havengelden mogen betrekken. Ingevolge artikel 3 van de Verordening zijn belastingplichtig voor het gebruik van de kade met vaartuigen: de schipper, de reder, de eigenaar van het schip, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven, of degene die als vertegenwoordiger van één van dezen optreedt. Daaruit volgt dat verweerder (...) bevoegd is voor hetzelfde belastbare feit havengeld te heffen van een ruime kring van (rechts-)personen. De vraag ten laste van wie (...) in een concreet geval belasting moet worden geheven kan worden beantwoord aan de hand van een beleidsregel of op basis van een bestendige gedragslijn of omstandigheden en gemaakte afspraken, waarbij overwegingen van praktische uitvoerbaarheid van de heffing een rol kunnen spelen. De last van het bewijs dienaangaande rust in beginsel op verweerder. In het licht van alle feiten en omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zodanige feiten aannemelijk gemaakt dat zij op grond daarvan eiseres voor het gebruik van de kade () terecht heeft aangemerkt als belastingplichtige en ten laste van haar (...) de in geding zijnde havengelden heeft mogen heffen. (...) De enkele ontkenning door eiseres dat haar uitvoerder in het overleg met de havenmeester heeft ingestemd met de aanwijzing van eiseres als belastingplichtige in de aanhangige gevallen, heeft onvoldoende overtuigingskracht. De rechtbank acht genoegzaam aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van de in geschil zijnde aanslagen havengeld heeft gehandeld overeenkomstig haar bestendige gedragslijn als in deze uitspraak omschreven.
De uitspraak op rechtspraak.nl