Rb. Dordrecht 27 oktober 2006, ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ2071

1. Eiser is op 29 april 2005 eigenaar geworden van de woning. Bij brief van 13 mei 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking van 28 februari 2005, welke beschikking was gericht aan de vorige eigenaar van de woning. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, nu de beschikking van 28 februari 2005 niet ten aanzien van eiser was genomen. Het besluit op bezwaar dient met gegrondverklaring van het beroep in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 23 en 24 van de Wet WOZ. De rechtbank ziet, nu rechtens maar één beslissing mogelijk is, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op dit punt zelf in de zaak te voorzien. 2. Op 6 juni 2005 heeft verweerder een WOZ-beschikking genomen (op eisers naam) als bedoeld in artikel 26 van de Wet WOZ. Tijdens het verhandelde ter zitting is gebleken dat de beschikking van 6 juni 2005 niet aan eiser is toegezonden en bekendgemaakt, doch eerst bij de toezending van de bijlagen van het verweerschrift op 26 oktober 2005 aan de rechtbank is toegestuurd en op 2 november 2005 door de rechtbank aan eiser is doorgestuurd. Eiser is dan ook niet in de gelegenheid geweest tegen de beschikking van 6 juni 2005 afzonderlijk bezwaar te maken. (…) Gelet op artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het beroepschrift, hoewel ingediend vóór de bekendmaking van dit besluit, als prematuur ingediend bezwaarschrift ontvankelijk te achten. Artikel 7:1a van de Awb biedt de rechtbank evenwel de mogelijkheid om, indien partijen daartoe het initiatief nemen, in afwijking van artikel 7:1 van de Awb, een bezwaarschrift als beroepschrift te behandelen. Nu eiser ter zitting heeft verzocht om de bezwaren tegen de beschikking van 6 juni 2005 bij de beoordeling van het beroep te betrekken en verweerder heeft verklaard daarmee in te stemmen, ziet de rechtbank aanleiding om op grondslag van artikel 7:1a van de Awb het bezwaar als rechtstreeks bij de rechtbank ingesteld beroep te behandelen. 3. Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder de waarde te hoog heeft vastgesteld. De door eiser voorgestane herleiding van de verkoopprijs op 29 april 2005 naar de waarde op de peildatum, analoog aan de correctie die is toegepast op de waarde van de naastgelegen woning, Rijksstraatweg 38, kan niet worden gevolgd, nu dit in het algemeen niet een methode van waardebepaling als bedoeld in de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ is. De door eiser voorgestelde waarde van € 268.450,- weerspiegelt derhalve niet de marktwaarde op de peildatum 1 januari 2003, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen