Rb. Dordrecht 8 september 2006, ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ0503
Nu weigering uitbetaling bonusbedrag volgens verweerder geen subsidie is, is het daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte, aangezien sprake is van een incidentele subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder d,van de Awb. Gegeven de inhoud en strekking van de samenwerkingsovereenkomst kan deze naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geduid dan een beschikking omtrent subsidieverlening als bedoeld in artikel 4:29 van de Awb. In het verlengde hiervan dient de in de beslissing van 28 april 2005 vervatte weigering om de bonusuitkering te betalen te worden gekwalificeerd als een voor bezwaar vatbare beschikking tot vaststelling van de subsidie op nihil op de grond dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, in de zin van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. Gelet hierop heeft verweerder in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb de bezwaren van eiseres niet inhoudelijk beoordeeld. Het beroep wordt gegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl