Rb. Dordrecht 8 september 2006, ECLI:NL:RBDOR:2006:AY9357

Artikel 1.5 Wsf 2000 / afwijking van GBA-adres / redelijkerwijs geen verwijt De rechtbank is van oordeel dat eiseres, gelet op de thans voorhanden zijnde stukken en gezien haar gedetailleerde verklaringen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich die inspanningen heeft getroost die van haar redelijkerwijs gevergd konden worden om zich in te schrijven in de GBA. Dat eiseres geen verklaring heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken waarom de gemeente haar inschrijving in de GBA in eerste instantie heeft geweigerd, nog daargelaten dat bekend is dat dergelijke verklaringen zelden worden verstrekt, doet daar niet aan af, nu de gemeente klaarblijkelijk met dezelfde stukken en dus zonder overlegging te verlangen van een schriftelijk bewijs van een onderhuurcontact met de hoofdverhuurder alsnog is overgegaan tot eiseresses inschrijving. De wetgever heeft beoogd art. 1.5 van de Wsf 2000 ten volle van toepassing te laten zijn op nieuwe generaties studerenden - waartoe ook eiseres behoort - aan wie het door de verhuurders is verboden zich op hun feitelijke woonadres te laten inschrijven in de GBA. In de onderhavige zaak is van een dergelijk verbod niet gebleken en eiseres heeft zich dan ook direct na de totstandkoming van de overeenkomst met de onderverhuurster tot de houder van de GBA gewend. Eiseres hoefde er naar het oordeel van de rechtbank geen rekening mee te houden dat de houder van de GBA ondanks de toestemming van de hoofdverhuurder Stadswonen voor de onderhuur en ondanks het ontbreken van een verbod op GBA-inschrijving van de zijde van de hoofdverhuurder haar registratie zou weigeren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen