Rb. Dordrecht 21 juni 2002, ECLI:NL:RBDOR:2002:AE4984

Voor de recidivebepaling wordt in het Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekeringen niet langer aangehaakt bij eerder verzuim, maar bij eerdere boete. Registratie eerste verzuim zonder oplegging van boete in verband met afwijking van het totaal van de premielonen van eiseres in 1998 met meer dan 5%. Bij bestreden besluit d.d. 27 maart 2000 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Met ingang van 1 februari 2001 is het Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekeringen van 14 oktober 2000, Stb. 2000, 264 in werking getreden (verder te noemen: het Boetebesluit). Volgens vaste rechtspraak van de CRvB brengt toepassing van art. 15, eerste lid, derde volzin van het IVBPR met zich mee dat in het kader van het beroep tegen een besluit waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd, moet worden bezien of dat besluit in overeenstemming is met een na het begaan van de overtreding tot stand gekomen regeling waarbij is voorzien in het opleggen van een lichtere straf. Dit geldt ook indien de strafverlichting is totstandgekomen tijdens de beroepsprocedure. Anders dan in de systematiek van het ABC-besluit wordt in het Boetebesluit voor de recidivebepaling niet langer aangehaakt bij het moment waarop het eerdere verzuim is gepleegd, maar bij het moment waarop een eerdere boete is opgelegd. Toepassing van het Boetebesluit leidt in het onderhavige geval tot verzuimregistratie noch tot boete-oplegging. Bestreden besluit vernietigd. Uitspraak in hoger beroep bevestigd door Centrale Raad van Beroep: LJN AR6051

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen