Rb. Dordrecht 31 mei 2001, ECLI:NL:RBDOR:2001:AD4724

Beleid ter uitvoering van art. 4, eerste lid Besluit vergoeding kosten geneeskundige hulp in bijzondere omstandigheden niet onredelijk; in casu evenwel aanleiding voor toepassing van inherente afwijkingsbevoegdheid. Besluit van verweerder, waarbij verzoekers op grond van art. 4 van het Besluit vergoeding kosten geneeskundige hulp in bijzondere omstandigheden (verder: het Besluit) nog eenmaal een verklaring GNR111 wordt verstrekt, geldig tot en met 31 mei 2001. De geldigheidsduur van de verklaring zal na die datum niet meer worden verlengd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat verzoekers al vanaf 23 juni 2000 in Nederland verblijven, zodat nauwelijks meer van een tijdelijk verblijf gesproken kan worden. Nu verzoekers desgevraagd telefonisch hebben meegedeeld besloten te hebben in Nederland te blijven voldoen ze niet langer aan de voorwaarden die gelden voor de afgifte van een verklaring GNR111. Verzoeker, die de Turkse nationaliteit heeft, is in 1988 met behoud van zijn WAO-uitkering met zijn echtgenote naar Turkije geremigreerd. Verzoekers zijn op 23 juni 2000 met een visum voor drie maanden voor familiebezoek vanuit Turkije naar Nederland gekomen. Omdat verzoeker in verband met progressieve nierinsufficiëntie tenminste tweemaal per week dient te worden gedialyseerd, heeft verzoeker zich tot verweerder gewend met het verzoek om een vergoeding van de kosten van het inroepen van geneeskundige hulp. De IND heeft nog niet beslist op de op 22 augustus 2000 ingediende aanvraag voor een vergunning tot verblijf op medische gronden. Ter uitvoering van het bepaalde in art. 4 van het Besluit hanteert verweerder in zijn beleid als voorwaarde dat de betrokkenen Nederlands ziekenfondsverzekerde zijn, in Turkije wonen en tijdelijk in Nederland verblijven. Deze laatste voorwaarde is gebaseerd op de in meergenoemd art. 4 van het Besluit gebezigde formulering 'verzekerden die in het buitenland wonen'. Een verklaring GNR111 wordt in beginsel afgegeven voor de duur van drie maanden en vervolgens eenmaal met drie maanden verlengd. Na zes maanden ligt het omslagpunt waarop naar het oordeel van verweerder gesteld kan worden dat er nauwelijks meer sprake is van een tijdelijk verblijf in Nederland. Vanaf het moment waarop de betrokken persoon feitelijk in Nederland woont wordt niet langer voldaan aan de voorwaarden waaronder een verklaring GNR111 wordt verstrekt, en ontstaat een andere rechtsgrond om als ziekenfondsverzekerde te worden ingeschreven. Een van de voorwaarden om te kunnen worden ingeschreven is echter dat men beschikt over een geldig verblijfsdocument. In de tussenliggende periode is het gebruikelijk dat de betrokken persoon zich particulier tegen ziektekosten verzekert totdat duidelijkheid is verkregen omtrent diens verblijfsrechtelijke positie. Naar het voorlopig oordeel van de President is het hiervoor weergegeven beleid van verweerder niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar. De omstandigheid dat er sprake is van een acute noodsituatie, gelet op verzoekers slechte gezondheidstoestand, kan in de visie van verweerder geen rol spelen bij de beoordeling of sprake is van tijdelijk verblijf als bedoeld in art. 4 van het Besluit. Naar het oordeel van de President heeft verweerder zich onvoldoende rekenschap gegeven van de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval. Vast staat immers dat verzoeker in verband met zijn recentelijk zeer verslechterde gezondheidstoestand niet in staat is naar Turkije af te reizen en dat verzoekers zich niet kunnen inschrijven bij een Nederlandse zorgverzekeraar omdat ze niet beschikken over een geldig verblijfsdocument, terwijl voorts ernstig moet worden betwijfeld of verzoekers zich in dit stadium nog wel particulier kunnen verzekeren, zoals door verweerder wordt gesteld.Verweerder had dan ook bij afweging van de betrokken belangen gebruik dienen te maken van de in art. 4:84 van de Abw opgenomen inherente afwijkingsbevoegdheid, inhoudende dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Nu verweerder zulks niet heeft gedaan dient ernstig te worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het bestreden besluit wordt geschorst en voor het tijdvak van 1 juni 2001 tot en met 30 september 2001 wordt een zodanige voorziening getroffen dat verzoekers behandeld dienen te worden als waren zij in het bezit van een verklaring GNR111. Onderlinge Waarborgmaatschappij ANOZ Verzekeringen U.A., verweerder. mr. H.T.J.F. Verhappen (president) Awb 4:84 Ziekenfondswet 8 Verstrekkingenbesluit 25.1 Besluit aanspraken op verstrekkingen in buitengewone omstandigheden (Stcrt. 1968, 18) 4.1

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen