Rb. Dordrecht 16 februari 2001, ECLI:NL:RBDOR:2001:AB0935
Niet de rechtbank maar de ABRS in eerste en enige aanleg bevoegd inzake beroepen inzake de Wet op de waterkering. Beroep tegen ongegrond-verklaring van bezwaarschrift tegen besluit tot vaststelling van het dijkversterkingsplan van dijkvak 14 te Sliedrecht. De ABRS heeft zich bij uitspraak van 26 juni 2000 (AB 2000/407) bevoegd geacht in eerste en enige instantie kennis te nemen van een beroep tegen de weigering van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland tot herziening van hun goedkeuring voor het dijkversterkingsplan voor dijkvak 14 te Sliedrecht. Tegen dit besluit, dat de in de artikelen 17 tot en met 23 en de artikelen 18 tot en met 23 van de Wet op de waterkering (verder te noemen: de Wwk) bedoelde procedure niet had doorlopen, stond op grond van art. 24 Wwk geen rechtstreeks beroep bij de ABRS open. Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwk alsmede gelet op het belang van de rechtseenheid ten aanzien van het beroepsrecht inzake de Wwk, dienen beroepen die hun grondslag vinden in de Wwk echter zoveel mogelijk door de ABRS, oordelende in eerste en enige aanleg, te worden behandeld, aldus de ABRS. De overwegingen van de ABRS gaan evenzeer op voor het thans voorliggende beroep, dat ingevolge art. 2 Wwk, eveneens zijn grondslag vindt in de Wwk en dat ziet op een besluit tot vaststelling van het in die zaak aan de orde zijnde dijkversterkingsplan. Niet de rechtbank, maar de ABRS is derhalve, als eerste en enige instantie, bevoegd kennis te nemen van dit beroep. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren en het beroepschrift en de stukken doorzenden naar de ABRS. De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder. mrs. H.T.J.F. Verhappen, J. Brand, L. de Loor-Alwin
De uitspraak op rechtspraak.nl