Rb. Den Haag 17 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9976
Vovo tegen omgevingsvergunning voor onder meer realiseren van 5 nieuwe trekkershutten, realiseren van maximaal 25 kampeerplaatsen, realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw voor de receptie met campingwinkel en geven van workshops en verzorgen van excursies in relatie tot het agrarisch natuurbeheer afgewezen. College heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het plan van vergunninghouder - voor zover dat niet voldoet aan de gebruiks- en bebouwingsregels van het bestemmingsplan - voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geen blijvend recht op vrij uitzicht. Dit geldt ook bij uitzicht op natuur. Verzoeker heeft niet concreet gemaakt waarom die landschappelijke inpassing onvoldoende zou zijn. Verzoeker wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de gevolgen van toegenomen verkeersbewegingen zijn onderschat. Geen sprake van onaanvaardbare lichthinder voor de omgeving en op de planlocatie. Verzoeker heeft niet concreet gemaakt op welke punten de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende zou zijn. Uit de ruimtelijke onderbouwing en hetgeen op de zitting is besproken blijkt dat sprake is van een totale toename van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing met ongeveer 265 m², dat past binnen de maximale uitbreiding van 10% van de bestaande oppervlakte aan bedrijfsbebouwing als bedoeld in artikel 5.3 van de planregels. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden over het aanbod van de campingwinkel en de oppervlakte van de campingwinkel. Voorzieningenrechter volgt standpunt van college dat het geven van workshops kleinschalig is en dat daarvan geen wezenlijke gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden zijn te verwachten. Met hetgeen door verzoeker is voorgesteld kan geen gelijkwaardig resultaat worden bereikt met minder bezwaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl