Rb. Den Haag 24 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9901
Eritrese dienstweigeraar. Bij uitzetting een reëel risico op ernstige schade maar geen vergunning op de b-grond omdat hij veroordeeld is voor een geweldsdelict. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eisers dienstweigering tot vluchtelingschap leidt. De rechtbank is van oordeel dat de minister door te stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het leger in [regio] ingezet zou worden en de taak zou krijgen mensen te vermoorden, hem een te hoge bewijslast heeft opgelegd. Het beleid schrijft voor dat de minister, als sprake is van een dienstplichtige die is opgeroepen maar nog niet weet wat zijn taken zullen zijn, de schaal waarop de oorlogsmisdrijven worden begaan, betrekt bij de beoordeling van de aannemelijkheid dat hij daarbij betrokken zal raken. Daar komt bij dat uit het arrest EZ tegen Duitsland (onder verwijzing naar passages uit het arrest [naam]) volgt dat de minister moet beoordelen of eiser door de dienstplicht te vervullen 'zeer waarschijnlijk' direct dan wel indirect zou deelnemen aan oorlogsmisdrijven. Dat de minister in deze zaak een dergelijke beoordeling heeft gemaakt blijkt nergens uit. Gelet op het feit dat het Eritrese leger herhaaldelijk en systematisch oorlogsmisdrijven pleegt, lijkt het de rechtbank zeer waarschijnlijk dat eiser, ongeacht waar hij wordt ingezet, ertoe wordt gedwongen direct of indirect deel te nemen aan het plegen van de betrokken misdrijven. De minister heeft verder niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser wegens een (toegedichte) politieke overtuiging en/of gewetensbezwaren geen gegronde vrees heeft voor vervolging en/of onevenredige bestraffing wegens dienstweigering. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting verklaard dat de door eiser gepleegde strafbare feiten als ‘ernstig’ zijn aangemerkt en dus geen uitsluitingsgrond vormen voor een vergunning op de a-grond. De minister dient opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiser en daarbij het per 4 april 2026 gewijzigde beleid op grond van paragraaf C7/13.3.1 van de Vc te betrekken, waarin staat dat personen uit Eritrea die de militaire dienstplicht hebben ontdoken worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Ook moet de minister betrekken dat eiser onderbouwd heeft dat zijn echtgenote, die in afwachting van zijn asielprocedure in Caïro verbleef, daar is overleden en dat zijn minderjarige kinderen van zes en acht jaar nu tijdelijk worden opgevangen bij het Unaccompanied Children and Youth Department van de StARS-organisatie in Caïro.
De uitspraak op rechtspraak.nl