Rb. Den Haag 21 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9562
Eiser is werkzaam bij [onderdeel] van de Koninklijke Marechaussee. Daarbij is hij meermaals tijdelijk tewerkgesteld bij het ministerie van Buitenlandse Zaken om hoog risico vertegenwoordigingen in het buitenland te beveiligen/ondersteunen. Eiser heeft gevraagd om deze inzet mee te laten tellen voor de opbouw van inverdientijd zodat hij op een eerder moment met leeftijdsontslag kan gaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser kan inverdienen ingevolge artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement. Uit de omschrijving hoe de werkzaamheden er feitelijk aan toe gaan blijkt dat sprake is van omstandigheden waarbij toepassing van de beschermende bepalingen van de Arbeidstijdenwet en hoofdstuk 7 van het Amar niet goed samen gaat met een goede uitoefening van defensietaken.
De uitspraak op rechtspraak.nl