Rb. Den Haag 7 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8136

MK, bijzonder ernstig misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat de minister kenbaar en deugdelijk heeft gemotiveerd, conform het arrest van het Hof van Justitie in de zaak M.A en de uitspraak van de Afdeling, dat en waarom het door eiser gepleegde misdrijf als bijzonder ernstig wordt aangemerkt. Het betoog van eiser dat alleen misdrijven als terrorisme en moord bijzonder ernstige misdrijven zijn, zonder in te gaan op de hiervoor genoemde criteria, biedt de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat op grond van het geheel van feiten en omstandigheden, ook andere misdrijven als bijzonder ernstig kunnen worden aangemerkt. Dat een gepleegd misdrijf een bepaalde kwalificatie heeft, zoals terrorisme, moord of verkrachting, is gelet op het voorgaande dan ook niet allesbepalend voor de vraag of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. De minister moet deugdelijk motiveren waarom het gepleegde misdrijf hoort tot een van de misdrijven die de rechtsorde van de samenleving het meest aantasten. De minister heeft dat in deze zaak gedaan en de kwalificatie van het hier aan de orde zijnde misdrijf tezamen met andere relevante feiten en omstandigheden terecht betrokken in die beoordeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken