Rb. Den Haag 3 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7858

Regulier. Humanitair niet-tijdelijk. Mensenhandel. Uit de besluitvorming volgt niet dat de verklaringen van eiseres zijn afgezet tegen haar psychische toestand. De besluitvorming geeft geen blijk van een overweging aan de kant van de minister waarbij is gekeken naar de mogelijke invloed van eiseres haar psychische toestand als verklaring voor het gebrek aan detail. Voor zover de rechtbank kan zien, wordt eiseres onverkort tegengeworpen dat zij niet volledig en gedetailleerd kan verklaren. Desgevraagd heeft de minister ter zitting niet kunnen aangeven welke verklaring(en) van eiseres tegenstrijdig zijn. Geconcludeerd moet dan ook dat deze tegenwerping onder zijn huidige motivering, feitelijke grondslag mist. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvraag geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het privéleven van eiseres. Het gaat hier om de bijzondere situatie waarin twee kwetsbare vreemdelingen zich handhaven met behulp van informele zorg vanuit hun directe omgeving. Voor de rechtbank valt niet in te zien hoe dit geen onderdeel van hun privéleven kan zijn. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende kenbaar de belangen van de jonge kinderen van eiseres heeft betrokken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de minister feitelijk alleen heeft gemotiveerd waarom het niet onmogelijk is voor het gezin om naar Rusland te vertrekken, hetgeen iets anders is dan het kenbaar betrekken van de belangen van de kinderen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken