Rb. Den Haag 10 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4797
Het college heeft maatwerkvoorschriften opgelegd aan twee scoutingvereningen. Die maatwerkvoorschriften zien op het stoken van vuren door de scoutingverenigingen. In deze maatwerkvoorschriften zijn onder meer de frequentie en toegestane grootte van de vuren opgenomen. Ook staan hierin (weers-)omstandigheden waarin niet mag worden gestookt. De socutingverenigingen vinden dat de maatwerkvoorschriften te ver gaan. Zij betwijfelen of het geuronderzoek dat het college aan het besluit ten grondslag heeft gelegd wel representatief is. Volgens de scoutingverenigingen is het naleven van hun eigen stookprotocollen voldoende om onaanvaardbare geurhinder in de omgeving te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat het college het aanvaardbare hinderniveau in redelijkheid heeft vastgesteld en daar het geuronderzoek van Antea Group aan ten grondslag heeft mogen leggen. Het college heeft zich mogen baseren op de gegevens die de scoutingverenigingen hebben aangeleverd. Volgens de rechtbank is geen sprake van willekeur of ongelijke behandeling. Ook zijn de maatwerkvoorschriften niet onredelijk bezwarend. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl