Rb. Den Haag 5 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30885
bewaring, artikel 59a Vw, gronden van de maatregel, lichter middel, ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.56273
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2 Met het bestreden besluit van 22 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1 Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Amb-verordening. In de Amb-verordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.1 Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Amb-verordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.
3.2 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
4. Volgens de minister is de maatregel van vreemdelingenbewaring nodig, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Amb-verordening en een onderduikrisico bestaat.
4.1 In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw 2000 dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Vw 2000, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Amb-verordening; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft tijdens de zitting grond d ingetrokken.
4.2 Eiser heeft een aantal gronden betwist. Met betrekking tot grond c voert eiser aan dat niet wordt betwist dat hij geen paspoort heeft, maar het enkele feit dat hij geen contact wil opnemen met de vertegenwoordiging van zijn land van herkomst, maakt niet dat hij niet wil meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft namelijk goede redenen om geen contact te willen leggen met die autoriteiten. Ook grond g wordt betwist omdat het besluit waarin eiser ongewenst is verklaard niet door hem is ontvangen, maar hij heeft daar pas bij de inbewaringstelling kennis van genomen. Daartegen is inmiddels ook beroep ingesteld. Dat besluit is dus nog niet onherroepelijk waardoor grond g niet ten grondslag kan liggen aan de maatregel. Ook gronden r en s worden betwist. Eiser verblijft op een locatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en ontvangt ook leefgeld. Daarnaast werkt hij als schilder. Eiser is dus voor de minister traceerbaar en kan in zijn levensonderhoud voorzien.
4.3 Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende gronden om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Daarbij overweegt de rechtbank dat grond a niet door eiser is betwist. Hieruit blijkt dat eiser zich zonder toestemming tussen meerdere Europese landen heeft bewogen. Ook grond c acht de rechtbank feitelijk juist. De minister heeft daarbij namelijk niet enkel betrokken dat eiser geen contact wil opnemen met de consulaire vertegenwoordiging, maar ook dat eiser geen andere inspanningen heeft verricht om aan documenten te komen. Zo wijst de minister er in de maatregel terecht op dat eiser geen contact wil leggen met familieleden of andere personen die met behulp van documenten zijn identiteit kunnen bevestigen. Bovendien geeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de bewaring aan dat hij geen identiteitsdocumenten wil aanvragen omdat hij niet terug wil naar Algerije. Daarnaast is niet gebleken dat het voor eiser niet mogelijk is om aan documenten te komen om daarmee zijn identiteit en nationaliteit te kunnen vaststellen. Deze twee gronden acht de rechtbank voldoende om de maatregel te kunnen dragen. De overige betwiste gronden kunnen daarom onbesproken blijven.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser betoogt dat zijn medische situatie betrokken had moeten worden bij het opleggen van de maatregel. Hoewel eiser niet detentieongeschikt is, blijkt uit zijn medisch dossier wel dat hij kwetsbaar is. Eiser heeft namelijk last van slapeloosheid en traumaklachten. Daarnaast heeft hij een lyrica verslaving en een cyste.
5.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank vat het betoog van eiser zo op dat de medische omstandigheden in het kader van een lichter middel betrokken hadden moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de medische omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Daarbij heeft de minister op zitting terecht gewezen op het feit dat aan eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is gevraagd naar zijn medische klachten. Eiser heeft toen verklaard over een cyste op zijn hand en een lage bloeddruk. Uit de maatregel blijkt ook dat de minister deze medische omstandigheden heeft betrokken bij de overweging om een lichter middel op te leggen. In de maatregel heeft de minister erop gewezen dat er voldoende medische faciliteiten in het detentiecentrum in Rotterdam aanwezig zijn. De medische omstandigheden zijn dus betrokken bij het opleggen van de maatregel. Verder blijkt uit het medisch dossier dat eiser medische zorg krijgt in het detentiecentrum en niet is gebleken dat deze zorg voor hem onvoldoende toereikend is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7 Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.