Rb. Den Haag 19 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30793
EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Beroep gegrond. De minister heeft eiser ten onrechte niet gehoord in bezwaar
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.11471 (beroep)
NL25.11472 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1979, van Surinaamse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J. Werner),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om aan eiser geen EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen te verlenen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid omdat de minister eiser in bezwaar niet heeft gehoord. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2 Eiser heeft op 15 april 2024 een aanvraag ingediend om verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
2.1 Met een besluit van 21 oktober 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 10 februari 2025 heeft de minister dit bezwaar afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.2 Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst en de minister wordt verboden om eiser uit Nederland te verwijderen.
2.3 De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Griffierecht
3 Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Achtergrond
4 Eiser stelt dat hij sinds 19-jarige leeftijd (rond 1998) in Nederland verblijft. Hij heeft drie zoons met de Nederlandse nationaliteit: [zoon 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2002 (hierna: zoon 1), [zoon 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2004 (hierna: zoon 2) en [zoon 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2008 (hierna: zoon 3).
4.1 Op 11 oktober 2018 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van zoon 2. Met een brief van 16 april 2019 heeft de minister aan eiser bericht dat hij van plan was om op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) een verblijfsdocument aan eiser te verstrekken met een geldigheidsduur van vijf jaar en de beperking ‘Verblijf als verzorgende ouder van een Nederlands kind’. De minister heeft vervolgens aan eiser een verblijfsdocument verstrekt waarop staat dat het geldig is tot 16 april 2024.
Het bestreden besluit
5. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Eiser voldoet niet aan de inburgerings- en middeleneis. Verder voldoet hij niet aan de eis van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf. Het verblijfsrecht van eiser is van rechtswege geëindigd op [geboortedatum 3] 2022, omdat zijn zoon toen meerderjarig is geworden. Er is sprake geweest van een ambtelijke misslag bij het bepalen van de einddatum van het verblijfsdocument. Echter was eiser zich bewust van de aanvraag die hij had ingediend, namelijk als ouder van een minderjarig Nederlands kind en vanwege de zorgtaken voor dat kind. Eiser had zich dus direct kunnen realiseren dat het verleende verblijfsrecht zou stoppen – van rechtswege – bij het meerderjarig worden van zijn zoon waardoor zijn zoon ook niet meer van zijn zorg afhankelijk was.
5.1 Verder stelt de minister zich op het standpunt dat de beëindiging van het verblijfsrecht en de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hoewel eiser gezins- en privéleven in Nederland heeft, valt de belangenafweging in zijn nadeel uit.
5.2 De minister legt aan eiser een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van vier weken.
Afwijzing bezwaar als kennelijk ongegrond en hoorplicht
6. Eiser voert aan dat de minister zijn bezwaar ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is ervan uitgegaan dat hij, gelet op wat hij in het bezwaarschrift van 21 oktober 2024 had aangevoerd, zou worden gehoord en dat hij tot tien dagen voor de hoorzitting nadere stukken zou kunnen indienen. De aanvullende gronden van bezwaar die eiser heeft ingediend op 11 februari 2025 hebben het bestreden besluit net gekruist. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser hierbij ook aanvoert dat hij ten onrechte niet is gehoord.
7. De minister stelt zich op het standpunt dat hij het bezwaar terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Op 1 november 2024 heeft de minister aan de gemachtigde van eiser een kopie van het dossier gestuurd en een termijn van twee weken gegeven om aanvullende gronden van bezwaar in te dienen. Eiser heeft niet binnen deze termijn aanvullende gronden ingediend. Verder vindt de minister dat in wat eiser heeft aangevoerd niet gelezen kan worden dat hij ook aanvoert dat hij gehoord had moeten worden.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en eiser ten onrechte niet heeft gehoord.
8.1 In het bestreden besluit heeft de minister gesteld dat eiser niet is gehoord omdat zijn bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond, mede gelet op de toelichting van de gemachtigde van eiser op de zitting, daarom zo dat eiser niet alleen aanvoert dat zijn bezwaar ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond, maar ook dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord.
8.2 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Dit geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Van horen in bezwaar kan slechts worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Het bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan.
8.3 De rechtbank overweegt dat eiser in het bezwaarschrift van 25 oktober 2024 uitgebreid heeft aangevoerd waarom hij het niet eens is met het besluit van 21 oktober 2024. Zo heeft eiser aangevoerd dat de minister een uitspraak waar hij bij de aanvraag naar had verwezen, ten onrechte buiten beschouwing had gelaten. In het bestreden besluit is de minister vervolgens wel ingegaan op deze uitspraak. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Ondanks de brief van 1 november 2024 waarin de minister een termijn van twee weken had gegeven om aanvullende gronden van bezwaar in te dienen, mocht eiser er naar het oordeel van de rechtbank van uitgaan dat hij gehoord zou worden en dat hij nog langer de tijd had om nadere gronden in te dienen.
8.4 Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat eiser in het bezwaarschrift van 21 oktober 2024 expliciet heeft verzocht om te worden gehoord. Bovendien spelen artikel 20 van het VWEU en artikel 8 van het EVRM een rol in zijn zaak en is de beslissing sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Ook hierom had de minister aanleiding moeten zien om eiser te horen in bezwaar.
8.5 De beroepsgrond slaagt.
9. Het voorgaande betekent dat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is dus gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de minister opdragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
9.1 Eiser richt ook andere beroepsgronden tegen het bestreden besluit. De rechtbank zal deze gronden waar mogelijk bespreken.
Toetsingskader EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen en geschilpunten
10. Om in aanmerking te komen voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is onder meer vereist dat de vreemdeling gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad, zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan en heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste. In geschil is of eiser heeft voldaan aan deze vereisten.
Vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf
Duur afgeleid verblijfsrecht bij zoon 2
11. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij er niet op mocht vertrouwen dat hij rechtmatig verblijf had gedurende de geldigheid van het verblijfsdocument. Dat zijn zoon 2 tijdens de geldigheidsduur van het verblijfsdocument 18 jaar zou worden, was bij verlening van het verblijfsdocument al bekend. Toch is er niet – zoals in veel andere zaken – voor gekozen om de geldigheidsduur te beperken tot de datum van de 18e verjaardag van zijn zoon 2. Verder is een verblijfsdocument bedoeld als bewijs van rechtmatig verblijf. Omdat de minister het verblijfsdocument aan eiser had verstrekt, mocht eiser er als leek op vertrouwen dat hij in ieder geval de volle vijf jaar van de geldigheid van het verblijfsdocument rechtmatig verblijf had. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 juli 2023. Daarin overwoog de rechtbank:
‘9.2.2. De rechtbank is van oordeel dat de periode na de afgifte van het verblijfsdocument voor vijf jaar anders gewogen moet worden dan de periode voor deze afgifte. De rechtbank kan eisers standpunt volgen dat hij zich na de afgifte van het verblijfsdocument in 2017, tot aan de datum van het primaire besluit, 23 oktober 2020, niet meer bewust was van het feit dat hij geen rechtmatig verblijf had. Door het handelen van verweerder, waarbij aan eiser niet enkel een vervangend document voor de resterende periode is afgegeven, maar een document voor de volledige vijf jaar, heeft eiser ervan mogen uitgaan dat hij rechtmatig verblijf had. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ten aanzien van deze periode niet enkel in geval van ‘uitzonderlijke omstandigheden’ een verblijfsvergunning op grond van privéleven kan verlenen. Verweerder dient daarom deze periode in de belangenafweging mee te wegen als ware het legaal verblijf.’
11.1 De stelling van de minister dat een enkele rechterlijke uitspraak niet maatgevend is, miskent volgens eiser het feit dat een uitspraak een rechtsbron is. De stelling van de minister dat er meerdere uitspraken zijn met een andere uitkomst, is niet draagkrachtig gemotiveerd omdat de minister niet verwijst naar de vindplaatsen van deze uitspraken en de minister niet uitlegt waarom deze jurisprudentielijn gevolgd moet worden in plaats van de lijn die eiser heeft aangehaald.
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet op heeft mogen vertrouwen dat hij rechtmatig verblijf had nadat zijn zoon 2 meerderjarig was geworden, enkel omdat op zijn verblijfsdocument een langere geldigheidsdatum stond. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
12.1 Uit rechtsoverwegingen 64 tot en met 76 van het arrest K.A. volgt dat artikel 20 van het VWEU zo uitgelegd moet worden dat wanneer de burger van de Unie meerderjarig is, het alleen in uitzonderlijke gevallen – waarin de betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is – voorstelbaar is dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze kan rechtvaardigen dat aan de betrokken derdelander op grond van die bepaling een afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend. De rechtbank begrijpt dit arrest zo dat het afgeleid verblijfsrecht in beginsel eindigt bij meerderjarigheid, tenzij er sprake is van een uitzonderlijk geval.
12.2 Verder overweegt de rechtbank dat het verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU declaratoir is. Dit betekent dat het afgeleid verblijfsrecht losstaat van het al dan niet hebben van een verblijfsdocument. Uit de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de bewijslast voor het bestaan van een afgeleid verblijfsrecht in beginsel bij de vreemdeling ligt.
12.3 De rechtbank is van oordeel dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, niet met zijn verklaringen en ook niet met stukken, dat zoon 2 nog van hem afhankelijk was nadat hij meerderjarig werd. Het standpunt van eiser op de zitting dat het meerderjarig en volwassen worden een geleidelijk proces is, maakt dit niet anders. De meerderjarigheid, met de achttienjarige leeftijd als ijkpunt, is een objectief maar ook fictief moment, waarbij volgens de rechtspraak geldt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat er sprake is van een uitzonderlijk geval waarbij er nog afhankelijkheid bestaat na het bereiken van deze leeftijd.
12.4 De stelling van eiser dat hij erop mocht vertrouwen dat hij rechtmatig verblijf had omdat hij nog een geldig verblijfsdocument had, volgt de rechtbank niet. Gelet op het hiervoor uiteengezette kader van artikel 20 van het VWEU en de relevante rechtspraak, zou dat vertrouwen in strijd komen met het Unierecht.
12.5 Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak van 20 juli 2023, waar eiser naar verwijst, niet relevant is. De uitspraak ziet namelijk op de vraag hoe de periode waarin iemand geen rechtmatig verblijf had, maar dacht dat hij dat wel had vanwege een verstrekt verblijfsdocument, moet worden gewogen in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Dat ziet dus niet op de vraag die hier beantwoord moet worden, namelijk of eiser aan het vereiste heeft voldaan dat hij vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen rechtmatig verblijf had.
12.6 De beroepsgrond slaagt niet.
Ingangsdatum afgeleid verblijfsrecht bij zoon 2
13. Eiser voert verder aan dat het afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU declaratoir is. Daarom ontstaat het afgeleid verblijfsrecht niet pas als het verblijfsdocument is afgegeven of als er sprake is van erkenning van het vaderschap, maar op het moment dat eiser verzorgende taken op zich heeft genomen. De minister had dus onderzoek moeten doen naar de vraag wanneer het afgeleid verblijfsrecht is ingegaan. Door dat niet te onderzoeken, is het besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd tot stand gekomen.
14. De rechtbank volgt eiser niet. Als eiser stelt dat het afgeleid verblijfsrecht al eerder bestond dan de datum waarop hij de aanvraag indiende, is het aan hem om dat met concrete gegevens aannemelijk te maken. Eiser heeft dat niet gedaan.
14.1 De beroepsgrond slaagt niet.
Ingangsdatum en duur afgeleid verblijfsrecht bij zoon 3
15. Eiser voert verder aan dat er sprake is geweest van een doorlopend verblijfsrecht vanwege de afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn zoon 3 en dat de minister dit had moeten onderzoeken.
16. De rechtbank overweegt dat in beroep is gebleken dat eiser op 10 juli 2025 een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van zoon 3. Met een brief van 24 februari 2026 heeft de minister aan eiser bericht dat hij van plan was om op grond van artikel 20 van het VWEU een verblijfsdocument aan eiser te verstrekken met een geldigheidsduur tot [geboortedatum 4] 2026.
16.1 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zoon 3 al bestond voordat hij de aanvraag op 10 juli 2025 had ingediend, terwijl de bewijslast daarvoor bij hem lag. Eiser heeft aangegeven dat hij een moeizame relatie had met de moeder van zoon 3 en dat hij vanaf dat zoon 3 vier jaar oud was, niet meer met hem samenwoonde. Op de zitting heeft eiser desgevraagd gesteld dat hij het kind naar school bracht, maar verder heeft eiser niets verklaard of enige onderbouwing gegeven voor het standpunt dat de afhankelijkheidsverhouding er al voor [geboortedatum 3] 2022 was.
16.2 De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
17. De rechtbank concludeert dat de minister, bij de huidige stand van zaken, heeft mogen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij rechtmatig verblijf heeft gehad gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Omdat de minister eiser in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord, krijgt eiser de mogelijkheid om dit alsnog aannemelijk te maken.
Inkomensvereiste
18. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet voldoet aan het inkomensvereiste. Eiser heeft eerder toegelicht dat hij al jaren hetzelfde soort werk doet, maar dat hij op initiatief van zijn voormalig werkgever hetzelfde werk is blijven doen als zelfstandige. Dit was puur vanuit de criteria voor een duurzaam inkomen bezien wat ongelukkig, maar juist door de stabiliteit van de feitelijke werksituatie en het inkomen dat eiser daar steeds mee heeft verdiend, is er wel degelijk steeds sprake geweest van voldoende en duurzaam inkomen. De minister heeft dit ten onrechte miskend in het bestreden besluit. Ter nadere onderbouwing van het voldoende niveau van het inkomen en het duurzame karakter ervan, overlegt eiser in beroep een ‘Verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer’ en zijn aangifte inkomstenbelasting 2025.
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan het inkomensvereiste. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd wat zijn inkomen als zelfstandige is. Daargelaten dat de minister de stukken die eiser in beroep heeft overgelegd niet bij het bezwaar heeft kunnen betrekken, zijn de stukken onvolledig. Zo behoort eiser bij de Verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer niet alleen de aangifte inkomstenbelasting over te leggen, maar ook een kopie van de winst- en verliesrekening en de naar aanleiding van de aangifte door de belastingdienst opgelegde voorlopige en definitieve aanslag. Dat heeft eiser niet gedaan.
19.1 De beroepsgrond slaagt niet.
Inburgeringsvereiste
20. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet heeft aangetoond dat hij het inburgeringsexamen heeft gehaald. Eiser heeft Nederlands onderwijs gevolgd, maar heeft problemen bij het verzamelen van bewijs. Hij wijst erop dat hij van Surinaamse komaf is en dat het zeer gebruikelijk is dat Surinamers onderwijs in de Nederlandse taal hebben gehad. Het vereiste om bewijs te leveren, pakt in zijn geval daarom onredelijk uit. Bovendien heeft de minister in het primaire besluit aangenomen dat eiser Nederlands onderwijs heeft gevolgd. Eiser ziet niet in waarom bewijs er dan nog toe doet.
21. De rechtbank is van oordeel dat minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het inburgeringsvereiste. Uit de wet volgt dat de vreemdeling die de Surinaamse nationaliteit bezit kan worden vrijgesteld van het inburgeringsvereiste als hij met een schooldiploma, getuigschrift of verklaring van een instantie heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd. Eiser heeft dergelijke stukken niet overgelegd. De minister kon eiser dus niet vrijstellen van het inburgeringsvereiste.
21.1 De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
22. Tot slot voert eiser aan dat hij zich niet kan verenigen met de belangenafweging die de minister in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt.
23. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de minister eiser had moeten horen in bezwaar over de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van deze beroepsgrond.
Conclusie en gevolgen
24 Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. De minister moet eiser in de gelegenheid stellen om te worden gehoord.
25 Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
26 Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.11471:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.11472:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.