Rb. Den Haag 15 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30339
vreemdelingenbewaring, bewaringsgronden, lichter middel, non-refoulement
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58915
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Bewaringsgrondslag en -gronden
1 In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien eiseres niet in bewaring zou worden gehouden (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.7, tweede lid, in verbinding met artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; h. heeft te kennen gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1 Eiseres voert aan dat grond r ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Zij kan en wil bij een vriendin verblijven en op dat adres is eiseres te traceren, waardoor een risico op onderduiken niet kan worden aangenomen.
1.2 De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden a, b, p en s, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een onderduikrisico bestaat. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Gelet hierop behoeft grond r geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiseres voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel en ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiseres gedurende de asielprocedure bij een vriendin of in een AZC kan verblijven.
2.1 Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
2.2 Gelet op de onder 1.2. genoemde dragende gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiseres eerder illegaal in Nederland is geweest, op 11 februari 2026 een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn heeft gekregen waaraan zij geen uitvoering heeft gegeven (zij heeft de EU immers niet verlaten, maar is naar Spanje gegaan) en daarna weer is teruggekomen naar Nederland zonder zich te melden bij de Nederlandse autoriteiten, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onderduiken voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat zij bij een vriendin in Nederland zou kunnen verblijven of de procedure in een AZC zou kunnen afwachten is, gelet op de hiervoor genoemde gronden en omstandigheden en bij gebreke van een concrete toelichting waarom dit het onderduikrisico zou verminderen, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
2.3 Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat zij een vriendin in Spanje heeft, met wie zij wil gaan trouwen en dat daarvoor al een afspraak is gemaakt. Voor zover zij hiermee betoogt dat de bewaringsmaatregel onevenredig bezwarend voor haar is, volgt de rechtbank dit niet, reeds nu eiseres deze stellingen niet heeft geconcretiseerd en evenmin heeft onderbouwd.
2.4 Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, slaagt de onder 2. weergegeven beroepsgrond niet.
Non-refoulement
3. Eiseres voert aan dat zij in Colombia wordt bedreigd vanwege haar seksuele geaardheid. Hierdoor is het te begrijpen dat zij niet terug wil keren.
3.1 De rechtbank overweegt dat eiseres in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b van de Vw en dat deze bewaring niet is gericht op de uitzetting van eiseres, maar op de behandeling van haar asielaanvraag. Daarom hoeft in deze bewaringsprocedure niet te worden beoordeeld of zicht op uitzetting bestaat, noch of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van eiseres. De grondslag van de bewaring hangt immers samen met een nog lopende asielaanvraag, waarin die refoulementsbeoordeling zal worden gemaakt. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2618). De beroepsgrond treft geen doel.
Slotsom beroepsgronden
4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiseres niet leiden tot het
oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op
enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6 Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.