Rb. Den Haag 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30265
Verzet – BNT – asiel – gegrond – besluitmoratorium Iran.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63202
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
de minister van Asiel en Migratie, opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2026, in de zaak tussen
[geopposeerde] , geopposeerde,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
opposant.
Procesverloop
Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Awb beslist op het beroep van geopposeerde tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
1 De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 juli 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. De rechtbank beoordeelt dus niet de inhoud van het beroep van geopposeerde. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2026 niet juist was.
2 Opposant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep kennelijk gegrond was, omdat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) dat voor vreemdelingen uit Iran is ingesteld en gepubliceerd op 23 maart 2026. Het BVM verlengt de beslistermijnen van lopende asielaanvragen en asielaanvragen die tijdens het BVM worden ingediend van vreemdelingen uit Iran met een jaar, tot ten hoogste 21 maanden. Aangezien geopposeerde de Iraanse nationaliteit heeft en op de aanvraag nog niet was beslist ten tijde van de inwerkingtreding van het BVM, is volgens opposant de beslistermijn van geopposeerde verlengd met een jaar.
3 Het standpunt van opposant slaagt. Geopposeerde is afkomstig uit Iran. Zij heeft de asielaanvraag ingediend op 6 mei 2025. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet opposant binnen zes maanden beslissen op de aanvraag. In beginsel eindigde de beslistermijn op 6 november 2025. Op dat moment is niet beslist op de aanvraag. Vervolgens gold het BVM voor vreemdelingen uit Iran van 23 maart 2026 tot 23 september 2026. De rechtbank had het BVM bij haar oordeel moeten betrekken. De rechtbank had dus nader onderzoek moeten doen. Het is namelijk niet uitgesloten dat nader onderzoek tot een andere uitkomst zou hebben geleid.
Conclusie en gevolgen
4 Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 10 juli 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op: