Rb. Den Haag 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30177
Kennisgeving artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser verbleef bij oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring langer dan zes maanden in bewaring. Hoewel op 25 september 2026 een verzwaarde belangenafweging is gemaakt, zo volgt uit de M120, ontbreekt de verzwaarde belangenafweging in de maatregel zelf. Niet is gebleken dat de verzwaarde belangenafweging is betrokken bij het opleggen van de maatregel. Gelet op het voorgaande is sprake van een motiveringsgebrek. Dit motiveringsgebrek kan niet achteraf worden hersteld en maakt de maatregel van vreemdelingenbewaring dan ook onrechtmatig. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58911
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2 Met het bestreden besluit van 4 oktober 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1 Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Bourik als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3 Eiser voert aan dat in maatregel van vreemdelingenbewaring geen verzwaarde belangenafweging is opgenomen, terwijl eiser inmiddels langer dan zes maanden aaneengesloten op verschillende bewaringsgrondslagen in bewaring verblijft. De verzwaarde belangenafweging is enkel in de voortgangsrapportage (M120) opgenomen en dat is onvoldoende, aldus eiser. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 augustus 2023.
3.1 De rechtbank stelt vast dat eiser vanaf 30 maart 2026 op verschillende grondslagen in bewaring heeft verbleven. Op het moment van oplegging van de maatregel op 4 oktober 2026 verbleef eiser al langer dan zes maanden in vreemdelingenbewaring.
3.2 Uit de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de verzwaarde belangenafweging, gelet op de kenbaarheid en toetsbaarheid, uit de maatregel moet blijken. Daarvan is in dit geval geen sprake nu in de maatregel van vreemdelingenbewaring geen verzwaarde belangenafweging is opgenomen. Hoewel uit de M120 blijkt dat op 25 september 2026 een verzwaarde belangenafweging is gemaakt, blijkt niet dat deze afweging ook bij de oplegging van de maatregel op 4 oktober 2026 is betrokken. Gelet op het voorgaande is sprake van een motiveringsgebrek. Daardoor is eiser in zijn belangen geschaad. Een motiveringsgebrek kan niet achteraf worden hersteld en leidt ertoe dat de maatregel onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
4 Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
4.1 Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080,-.
4.2 Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.080,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.