Rb. Den Haag 21 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30084

vovo hangende bezwaar; richtlijn tijdelijke bescherming; tijdelijke bescherming in andere lidstaat; bezwaar geen redelijke kans van slagen; verzoek afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55159
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , v-nummer: [x] , verzoekster
(gemachtigde: mr. K. Taha),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R. Radema).

Inleiding

1 In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Dit verzoek is gedaan in verband met het besluit van 25 augustus 2026, waarin de minister heeft vastgesteld dat verzoekster niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) valt. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de rechtsgevolgen van het besluit worden opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar is beslist.

1.1 De minister heeft op 21 september 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.2 De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Heeft verzoekster een spoedeisend belang?

3 De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist

3.1 Uit het besluit van 25 augustus 2026 blijkt dat de rechtsgevolgen van het besluit niet worden opgeschort door het gemaakte bezwaar. Daarom heeft verzoekster vanaf 22 september 2026 geen recht meer op gemeentelijke opvang en de daarmee samenhangende voorzieningen. Zoals de minister in zijn verweerschrift zelf opmerkt, behelzen de opvang en bijbehorende voorzieningen voor Oekraïense vluchtelingen meer dan die van andere asielzoekers. Dat verzoekster zich per direct kan melden in Ter Apel voor een asielprocedure maakt dan ook niet dat zij geen spoedeisend belang meer heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een voldoende spoedeisend belang aanwezig. Daarom zal worden beoordeeld of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4. Verzoekster betoogt dat haar bezwaar niet op voorhand kansloos is. De minister baseert de weigering van de tijdelijke bescherming in belangrijke mate op de registratie in het Temporary Protection Platform (TPP). De minister mag een weigering echter niet enkel baseren op een TPP-registratie. Uit drie uitspraken van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht blijkt verder dat de actuele uitoefenbaarheid van de tijdelijke bescherming relevant is voor de vraag of de tijdelijke bescherming moet worden afgewezen. Nu het onduidelijk is of verzoekster nog tijdelijke bescherming in Polen heeft, mocht de minister hem de tijdelijke bescherming niet om die reden weigeren. Onder verwijzing naar eerdergenoemde uitspraken betoogt verzoekster daarnaast dat de verhouding tussen werkinstructie (WI) 2025/6 en informatiebericht (IB) 2026/20 onduidelijk is. Daarbij wijst verzoekster er op dat zij al op 1 juni 2026 in Nederland is geregistreerd, terwijl informatiebericht 2026/20 – waarin staat dat RTB-aanvragen van personen die op het moment van toetsen al tijdelijke bescherming hebben gekregen in een andere lidstaat worden afgewezen – pas vanaf 15 juni 2026 geldt.

4.1 Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. Onder punt 4 van de preambule van Uitvoeringsbesluit 2025/1460 is uitdrukkelijk bepaald dat een verzoek om een verblijfsvergunning op grond van de RTB moet worden afgewezen wanneer duidelijk is dat de betrokken persoon al op die basis bescherming geniet in een andere lidstaat. Gebleken is dat verzoekster vanaf 16 maart 2026 tijdelijke bescherming heeft gekregen in Polen. Dit volgt zowel uit de TPP-registratie als uit een stempel in verzoeksters paspoort, waaruit blijkt dat verzoekster op diezelfde datum via Polen de Europese Unie is ingereisd. Verzoekster heeft bovendien niet betwist dat zij in Polen tijdelijke bescherming heeft gekregen. Dat de conclusie van de minister enkel is gebaseerd op de TPP-registratie, wordt dus niet gevolgd. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat verzoeksters tijdelijke bescherming in Polen inmiddels is geëindigd. Gelet hierop heeft de minister terecht in overeenstemming met IB 2026/20 overwogen dat verzoekster niet onder de RTB valt. Dat in de eerdere WI 2025/6 is opgenomen dat een tijdelijk beschermde niet wordt teruggestuurd naar een lidstaat van eerder verblijf, doet hier niet aan af. WI 2025/6 is immers enkel een werkinstructie van de minister zelf en kan niet afdoen aan wat in het Uitvoeringsbesluit is bepaald. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat de gemeente Nijmegen ná 15 juni 2026 – namelijk op 24 augustus 2026 – het triageverzoek bij de minister heeft gedaan om te beoordelen of verzoekster onder de RTB valt. De minister heeft IB 2026/20 dan ook terecht toegepast.

Conclusie en gevolgen

5 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken