Rb. Den Haag 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30060

Arbeidsrecht. Loonvordering zieke werknemer. Overleggen UWV-deskundigenoordeel kan in redelijkheid niet van werknemer worden gevergd. Artikelen 7:629a lid 1 en 2 BW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JMM / C
Zaaknummer / rekestnummer: 12278187 \ RP VERZ 26-50766
Beschikking van 13 oktober 2026
in de zaak van
[verzoekende partij] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,
tegen
[verwerende partij] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. O. Arslan.

De zaak in het kort

Werknemer [verzoekende partij] heeft zich bij werkgever [verwerende partij] ziek gemeld. Daarna is zij niet meer opgeroepen en is geen loon betaald. [verzoekende partij] stelt dat zij recht heeft op loondoorbetaling en dat, voor zover al sprake is van een opzegging, die opzegging onregelmatig was en vernietigd moet worden. [verwerende partij] betoogt dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van een opzegging, omdat bij het verzoek geen UWV-deskundigenbericht is gevoegd en omdat de urenopgave waarop [verzoekende partij] haar recht op loondoorbetaling baseert, niet klopt.

De kantonrechter wijst het verzoek grotendeels toe. De arbeidsovereenkomst is niet opgezegd en [verzoekende partij] heeft recht op loondoorbetaling, met wettelijke verhoging. Het bijvoegen van een UWV-deskundigenbericht kan in redelijkheid niet van [verzoekende partij] worden gevergd. De urenopgave van [verzoekende partij] wordt gevolgd. Deze beslissingen worden hierna toegelicht.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 17 juni 2026 ingekomen verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 26 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- het aanvullend verzoekschrift van [verzoekende partij] van 2 september 2026
- de nadere mondelinge behandeling van 14 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2 Op 26 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij was [verzoekende partij] aanwezig, bijgestaan door mr. Fakiri en een tolk. Namens [verwerende partij] zijn verschenen haar directeur [naam 1] en haar boekhouder [naam 2] . Op de mondelinge behandeling van 26 augustus 2026 heeft de kantonrechter een voorlopige voorziening getroffen, waarbij [verwerende partij] is veroordeeld om een bedrag van € 1.776 bruto aan [verzoekende partij] te betalen. Van deze beslissing is een apart proces-verbaal opgemaakt. Aan het einde van deze mondelinge behandeling hebben partijen een termijn gekregen om hun verzoek respectievelijk verweer te onderbouwen. [verzoekende partij] heeft een aanvullend verzoekschrift met stukken ingediend. [verwerende partij] heeft geen schriftelijk verweer of stukken ingediend.

1.3 Op 14 september 2026 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is [verzoekende partij] verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri en een tolk. Namens [verwerende partij] zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. Arslan. Door mr. Arslan zijn spreekaantekeningen overgelegd die in het dossier zijn gevoegd. Aan het einde van de nadere mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beschikking bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1 De volgende feiten zijn door [verzoekende partij] gesteld en door [verwerende partij] niet betwist. Deze feiten neemt de kantonrechter als uitgangspunt voor de beoordeling.

2.2 [verzoekende partij] , geboren [geboortedatum] 2006, is sinds 1 maart 2026 in dienst bij [verwerende partij] . De functie van [verzoekende partij] is algemeen medewerker. Bij aanvang van de arbeidsovereenkomst was haar loon € 14,80 bruto per uur en per 1 juli 2026 is het loon € 14,99 bruto per uur.

2.3 In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [verzoekende partij] ten minste drie uur en ten hoogste veertig uur per week werkt.

2.4 [verzoekende partij] heeft in Whatsapp-gesprekken aan [naam 3] , de teamleider bij [verwerende partij] , geschreven dat zij in maart 2026 136 uur heeft gewerkt en in april 2026 116 uur.

2.5 Op 20 april 2026 heeft [verzoekende partij] Whatsappberichten met [naam 3] gewisseld over afspraken bij de dokter. In een vertaling van die berichten staat onder meer:
[ [verzoekende partij] ]: “Het is me gelukt voor morgen om 14.00 uur een afspraak bij de dokter te krijgen voor mijn hand. Ik weet alleen niet zeker of ik op tijd op mijn werk kan zijn om 16.00 uur. (…)”
[ [naam 3] ]: “geen probleem, ik begrijp het. Kom na de dokter gewoon rustig naar werk.”

2.6 Op 28 april 2026 heeft [verzoekende partij] in een Whatsappbericht aan [naam 3] geschreven dat zij in de file stond na terugkomst van een ziekenhuisafspraak.

2.7 Op 30 april 2026 is [verzoekende partij] door een orthopedisch chirurg verwezen naar fysiotherapie. In de door de chirurg opgestelde verwijzingsbrief staat onder meer:
“Graag beoordeling en behandeling van bovengenoemde patiënte met klachten van de rechterelleboog en hand na een trauma (…)
Klachten:
Pijn in rechterelleboog en hand
“Popping” sensatie bij bewegen
Krachtsverlies in de hand en verminderde knijpkracht
Doof/tintelend gevoel in vingers (…)
Nachtelijke paresthesieën
Aanvullend:
 Eerder SEH-bezoek: X-thorax, hand en elleboog zonder afwijkingen
Werkdiagnose:
Elleboogklachten, mogelijk partiële tricepsruptuur
Differentiaaldiagnostisch: zenuwcompressie (…)”

2.8 Op 5 mei 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekende partij] , haar teamleider [naam 3] en [naam 1] . In dit gesprek heeft [verzoekende partij] gezegd dat zij ziek was.

2.9 Op 8 mei 2026 is [verzoekende partij] door [naam 3] verwijderd uit de Whatsapp-groep van [verwerende partij] en hierna is zij door [verwerende partij] niet meer opgeroepen voor werk.

2.10 Op 5 juni 2026 is [verzoekende partij] gezien door een specialist radiologie in Polen. In de vertaling van het door de specialist opgestelde verslag van het radiologisch onderzoek staat onder meer:
“Kort samengevat: het onderzoek wijst op een genezende beschadiging van twee banden aan de buitenzijde van de elleboog (LUCL en RCL) en waarschijnlijk een eerder opgelopen, niet-verplaatste breuk van de kop van het spaakbeen. De pezen en elleboogzenuw zelf zijn intact en er werd geen instabiliteit vastgesteld.”

2.11 De advocaat van [verzoekende partij] heeft [verwerende partij] aangeschreven. Daarop heeft [verwerende partij] niet gereageerd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1 [verzoekende partij] verzoekt, samengevat en na wijziging van het verzoek:
Primair:
vernietiging van het ontslag op staande voet dan wel de opzegging van 16 april 2026 of 8 mei 2026;
betaling van het achterstallige loon van € 1.448,68 netto over de maanden maart en april 2026 en € 5.036,64 bruto over de maanden juni tot en met augustus 2026, met over beide bedragen de wettelijke verhoging;
Subsidiair:
veroordeling van [verwerende partij] om een billijke vergoeding te betalen;
veroordeling van [verwerende partij] om een gefixeerde schadevergoeding te betalen;
veroordeling van [verwerende partij] om een transitievergoeding te betalen;
In alle gevallen:
veroordeling van [verwerende partij] in de proceskosten met rente,
veroordeling van [verwerende partij] om de correcte uren en loonsverhouding aan het UWV door te geven, op straffe van een dwangsom.

3.2 [verzoekende partij] stelt dat zij tijdens haar werk op 17 april 2026 een ongeval heeft gehad waarbij zij letsel heeft opgelopen. Dit heeft zij bij de werkgever aan de orde gesteld, onder meer in een gesprek op 5 mei 2026. Na dit gesprek is geen bedrijfsarts ingeschakeld, is [verzoekende partij] niet meer opgeroepen, is zij uit de appgroep gezet en is [verwerende partij] gestopt loon te betalen, aldus [verzoekende partij] . Volgens [verzoekende partij] is nooit rechtsgeldig opgezegd, althans is sprake van een onregelmatige opzegging waarin zij niet berust. Primair verzoekt zij vernietiging van de opzegging en doorbetaling van loon.

3.3 [verwerende partij] is het hiermee niet eens. Volgens [verwerende partij] is [verzoekende partij] niet-ontvankelijk in haar vordering of moet de vordering worden afgewezen, omdat bij het verzoek om loondoorbetaling géén deskundigenoordeel van het UWV is gevoegd. [verwerende partij] voert aan dat zij de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd, maar [verzoekende partij] niet meer heeft ingeroosterd omdat zij zei dat zij haar arm niet kon gebruiken. Ook betoogt [verwerende partij] dat de urenopgave van [verzoekende partij] niet juist is, zodat die urenopgave niet kan dienen om de loondoorbetalingsverplichting te bepalen.

4 De beoordeling

Het bijvoegen van een UWV-deskundigenbericht kan in redelijkheid niet van [verzoekende partij] worden gevergd

4.1 Op grond van de wet moet een vordering tot betaling van loon tijdens ziekte in principe vergezeld gaan van een verklaring van een door het UWV benoemde deskundige waaruit van de verhindering om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten blijkt. Dit geldt echter niet als het overleggen van deze verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd.

4.2 De kantonrechter oordeelt dat het overleggen van een UWV-deskundigenoordeel in redelijkheid niet van [verzoekende partij] kan worden gevergd. Een UWV-deskundigenoordeel wordt ook wel een second opinion genoemd en in deze zaak ontbreekt nu juist de first opinion, het oordeel van een bedrijfsarts. [verwerende partij] had op grond van de wet de verplichting een bedrijfsarts in te schakelen na de ziekmelding van [verzoekende partij] in het gesprek van 5 mei 2026, maar heeft dat niet gedaan. Naar eigen zeggen heeft zij dat niet gedaan omdat zij [verzoekende partij] niet geloofde over de ziekmelding en het gestelde bedrijfsongeval. Maar dit had juist te meer reden moeten zijn om een bedrijfsarts de klachten van [verzoekende partij] te laten beoordelen en, bij twijfel over het ongeval en de meldplichtigheid daarvan, contact op te nemen met de Arbeidsinspectie. Dit heeft [verwerende partij] niet gedaan. De onduidelijkheid over de gestelde arbeidsongeschiktheid is dus in de eerste plaats aan [verwerende partij] te wijten. Ten tweede is het gestelde letsel niet uit de lucht gegrepen: deze stelling wordt door [verzoekende partij] ondersteund met medische informatie van een orthopedisch chirurg en een radiologisch specialist (zie 2.7 en 2.10). [verwerende partij] betoogt onder verwijzing naar jurisprudentie dat zij de arbeidsongeschiktheid heeft betwist en dat dit voor [verzoekende partij] reden had moeten zijn een UWV-deskundige in te schakelen, maar daarin volgt de kantonrechter [verwerende partij] niet. Anders dan de werkgevers in de door [verwerende partij] aangehaalde zaken, is [verwerende partij] tot het laatste moment onduidelijk geweest over de vraag of zij de arbeidsongeschiktheid betwistte. [verwerende partij] voert weliswaar aan dat [naam 1] op 5 mei 2026 tegen [verzoekende partij] heeft gezegd dat zij niet ziek was en biedt daarvan bewijs aan. Maar ook als [naam 1] dit tegen [verzoekende partij] heeft gezegd, geldt dat [verwerende partij] haar standpunt schriftelijk had moeten bevestigen zodat [verzoekende partij] duidelijkheid had. Van het gesprek staat echter niets op papier. Vervolgens heeft [verwerende partij] niet op de advocaat van [verzoekende partij] gereageerd, voor de eerste mondelinge behandeling geen schriftelijk verweer gevoerd en na de eerste mondelinge behandeling een termijn voor een schriftelijke onderbouwing ongebruikt voorbij laten gaan. Pas bij de tweede mondelinge behandeling in deze zaak heeft zij zich voor het eerst schriftelijk op het standpunt gesteld dat een verzekeringsbericht van het UWV nodig is. Onder deze omstandigheden kan van [verzoekende partij] in redelijkheid niet worden gevergd dat zij haar verzoek van het oordeel van een UWV-deskundige voorziet. Het verweer van [verwerende partij] slaagt dus niet. [verzoekende partij] is ontvankelijk in haar vordering en het ontbreken van het oordeel van een UWV-deskundige leidt ook niet tot afwijzing van de vordering.

De arbeidsovereenkomst duurt voort

4.3 [verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat als al sprake is van een opzegging door [verwerende partij] , die moet worden vernietigd en dat loon moet worden doorbetaald. [verwerende partij] betoogt dat van een opzegging geen sprake is.

4.4 Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of [verzoekende partij] de verklaringen en het gedrag van [verwerende partij] mocht begrijpen als een opzegging. Beide partijen stellen zich inmiddels namelijk primair op het standpunt dat er geen (regelmatige) opzegging heeft plaatsgevonden en dat de arbeidsovereenkomst moet worden voortgezet. Aan de door [verzoekende partij] verzochte vernietiging is geen apart rechtsgevolg gekoppeld anders dan voortzetting met loondoorbetaling. Daarom komt náást de loonvordering geen aparte betekenis meer toe aan de verzochte vernietiging en wordt de verzochte vernietiging afgewezen wegens gebrek aan belang. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en [verwerende partij] aan [verzoekende partij] loon moet doorbetalen.
[verwerende partij] moet [verzoekende partij] loon doorbetalen met wettelijke verhoging

4.5 [verzoekende partij] is in haar loonvordering uitgegaan van de urenopgaven van [verzoekende partij] aan haar teamleider [naam 3] over maart en april (136 en 116 uur), gedeeld door 3 maanden, om zo tot een gemiddelde van 84 uur per maand te komen. [verwerende partij] betwist dat de door [verzoekende partij] opgevoerde urenopgaven juist zijn en voert aan dat de juiste urenopgaven op de UWV-overzichten staan.

4.6 Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verwerende partij] de urenopgaven door [verzoekende partij] onvoldoende gemotiveerd betwist. [verzoekende partij] heeft haar uren schriftelijk, via Whatsapp, aan haar teamleider [naam 3] doorgegeven. In de door [verzoekende partij] bijgevoegde Whatsapp-gesprekken is niet te lezen dat [naam 3] tegen de urenopgaven door [verzoekende partij] protesteert. [verwerende partij] maakt niet duidelijk hoe niettemin een fors verschil heeft kunnen ontstaan tussen de urenopgaven van [verzoekende partij] aan haar teamleider en de urenregistratie die [verwerende partij] kennelijk heeft gedaan. De kantonrechter gaat daarom uit van de opgaven van [verzoekende partij] .

4.7 In maart 2026 heeft [verzoekende partij] 136 uur gewerkt. [verzoekende partij] stelt onbetwist dat daarbij een loon van (136 × € 14,80 =) € 2.012,80 bruto hoort en € 1.950,88 netto. Tussen partijen staat vast dat [verwerende partij] € 1.060,- netto heeft uitbetaald. Het verschil is € 890,88 netto. In april 2026 heeft [verzoekende partij] 116 uur gewerkt. [verzoekende partij] stelt onbetwist dat daarbij een loon van (116 × € 14,80 =) € 1.716,80 bruto hoort en € 1.668,97 netto. Tussen partijen staat vast dat € 1.159,- netto is uitbetaald. Het verschil is € 509,97 netto. Over maart en april 2026 is dus (€ 890,88 + 509,97) = 1.400,85 netto te weinig uitbetaald. Een veroordeling tot betaling van loon moet worden toegewezen als bruto bedrag. [verwerende partij] zal worden veroordeeld om het bruto-equivalent van € 1.400,85 te betalen.

4.8 Partijen hebben over mei tot en met augustus 2026 geen uren opgegeven waarin [verzoekende partij] bij [verwerende partij] heeft gewerkt. [verzoekende partij] stelt dat voor vaststelling van het loon over mei tot en met augustus 2026 moet worden aangeknoopt bij het gemiddelde van de uren die zij in de eerste drie maanden heeft gewerkt. [verwerende partij] hanteert eveneens deze rekenmethode, hoewel zij rekent met de door haar opgevoerde uren. De kantonrechter zal de door partijen gehanteerde rekenmethode volgen. De hierboven vastgestelde gewerkte uren over maart en april 2026 brengen de gemiddelde arbeidsduur op (116 + 136 + 0) / 3 = 84 uur per maand. Tussen partijen staat vast dat over de vier maanden mei tot en met augustus 2026 geen loon is betaald. Ook staat vast dat het uurloon van [verzoekende partij] vanaf mei 2026 is verhoogd naar € 14,99. Ook na de ziekmelding van [verzoekende partij] moest [verwerende partij] dit loon doorbetalen. € 14,99 was namelijk het wettelijk minimumloon en bij ziekte moet in het eerste ziektejaar minimaal het minimumloon worden doorbetaald. Dit betekent dat over de maanden mei tot en met augustus 2026 aan loon toewijsbaar is: (4 maanden × 84 uur × € 14,99 per uur) = € 5.036,64 bruto.

Het door [verwerende partij] betaalde voorschot

4.9 Ter uitvoering van een door de kantonrechter getroffen voorlopige voorziening tussen partijen heeft [verwerende partij] aan [verzoekende partij] € 1.776 bruto betaald. Dit bedrag komt op het totaal toe te wijzen bruto(equivalent) in mindering. De betaling moet worden toegerekend aan de oudste verbintenis en ten aanzien van die verbintenis eerst op de wettelijke verhoging en dan op het loon zelf. Dit leidt tot de hieronder in de beslissing weergegeven manier van berekening.

[verwerende partij] moet de wettelijke verhoging betalen

4.10 [verwerende partij] voert aan dat de gevorderde wettelijke verhoging over het loon moet worden gematigd omdat zij te goeder trouw er vanuit ging dat sprake was van een oproepovereenkomst waarbij voor niet-opgeroepen uren geen loon verschuldigd was en omdat onduidelijkheid bestond over de ziekte van [verzoekende partij] . De kantonrechter volgt [verwerende partij] hierin niet. De onduidelijkheid over de ziekte van [verzoekende partij] is, zoals hiervoor is overwogen, hoofdzakelijk aan [verwerende partij] te wijten. Dat [verwerende partij] naar eigen zeggen niet op de hoogte was van de verplichting om minimaal 3 uur loon door te betalen, komt voor haar rekening en risico. [verwerende partij] heeft als werkgever de verantwoordelijkheid de verplichtingen uit de door haar gesloten arbeidsovereenkomsten te kennen. De kantonrechter ziet dus geen aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen. Er zal een wettelijke verhoging van 50% worden toegewezen omdat [verwerende partij] te laat heeft betaald.

Verzuim

4.11 De wettelijke verhoging wordt toegewezen, steeds vanaf de betreffende verzuimdatum. De arbeidsovereenkomst tussen partijen bepaalt dat het loon iedere maand wordt uitbetaald. [verwerende partij] is dus voor de betreffende salarisbetalingen in verzuim geraakt steeds op de eerste dag van de volgende maand na de maand waarover het salaris gaat.

Het gevorderde bevel uren door te geven aan het UWV wordt afgewezen

4.12 [verzoekende partij] verzoekt [verwerende partij] te bevelen om de correcte uren en loonsverhouding aan het UWV door te geven, op straffe van een dwangsom. [verwerende partij] voert hiertegen aan dat dit verzoek te onbepaald is.

4.13 De kantonrechter volgt [verwerende partij] op dit punt. Het verzoek specificeert niet welke uren en welke loonsverhouding volgens [verzoekende partij] de correcte zijn. Het is dus niet duidelijk wat [verwerende partij] precies aan het UWV moet doorgeven en toewijzing van het verzoek zou tot executieproblemen kunnen leiden. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

[verwerende partij] moet de proceskosten met rente betalen

4.14 De proceskosten komen voor rekening van [verwerende partij] , omdat [verwerende partij] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende partij] worden begroot op € 1.705:
€ 265 aan griffierecht,
€ 1.296 aan salaris gemachtigde (3 punten × tarief € 432)
€ 144 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.15 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad

4.16 [verzoekende partij] verzoekt om uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis. [verwerende partij] voert hiertegen geen afzonderlijk verweer en de kantonrechter zal de beschikking daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd kunnen worden, ook als één van de partijen deze beschikking aan een hogere rechter voorlegt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1 veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende partij] van het bruto-equivalent van € 1.400,85, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 7:725 BW van 50% vanaf de datum van verzuim en vervolgens te verminderen met het door [verwerende partij] betaalde bedrag van € 1.776 bruto,

5.2 veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende partij] van € 5.036,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 7:725 BW van 50% vanaf de datum van verzuim,

5.3 veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 1.705,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verwerende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

5.4 veroordeelt [verwerende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6 wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Meester en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken